donderdag 25 augustus 2016

Ik haal mijn moeder uit de was - Jana Arns






































Ik haal mijn moeder uit de was.
Ze lijkt gekrompen maar ik zeg er niets van,
we zien elkaar al zo weinig.

Met haar tong kort ze mijn meerderjarigheid in.
Haar woorden strijken applicaties
op de sleetplekken van mijn broek.

Dat ik voorzichtiger moet zijn
nu ik niet meer buiten speel
en dat het huis, ja, vooral dat het huis.

Ze heeft soep mee (het potje moet ze terug)
en spijs voor het spaarvarken van mijn kind.
Ook dat mag meer gespekt.

Ze gaat niet zitten, ruimt een lege tafel af.
Er kleeft een verleden aan het laken.
Haar handen zijn als washandjes

en ik hou mijn armen omhoog
alsof ik schuld beken
aan krimpende moeders.


© Gedicht én foto: Jana Arns


Uit de debuutbundel 'Status: het is ingewikkeld' die wordt uitgegeven
door Uitgeverij P en die op zaterdag 24 september 2016
wordt voorgesteld in het Poëziecentrum Gent.


woensdag 24 augustus 2016

Carissimi - Jana Arns







































Hij zit in elke kamer alleen,
de man met vele huizen.
Zijn leven op een andere plek
dan eerder aangenomen.

Zij tilt hem uit zijn pasvorm,
keert hem binnenstebuiten in teveel kledij,
brengt wat aandacht mee en een antwoord
op vragen die hij niet stelt.

De file in zijn hoofd wordt omgeleid via haar benen.
Ze wegen samen wat te licht wordt bevonden.
De nacht wordt moe van mensen zoals zij.
In dromen zouden ze elkaar kunnen vinden,
maar daarvoor slapen ze te slecht.



© Gedicht én foto: Jana Arns


Uit de debuutbundel 'Status: het is ingewikkeld' die wordt uitgegeven
door Uitgeverij P en die op zaterdag 24 september 2016
wordt voorgesteld in het Poëziecentrum Gent.


dinsdag 23 augustus 2016

Fase 2 - Jana Arns






































In deze straat met doodlopende huizen,
scheurt een man herinneringen van zijn kalender.
Hij doet dit meermaals per dag,

meermaals per dag.
Hij ligt als een bladwijzer tussen zijn verhalen,
maar kan de leesbril nergens vinden.

Ook zijn woonst wordt zwaarder met de jaren.
Hij heeft kinderen bijgebouwd.
Die maken veel oppervlakte.

Ze hoesten dokers op. Naaien zijn hiaten dicht.
Houden hun witte jassen altijd aan.
Het tocht in het verleden.

Vaak staat een antiekmarkt op de planning.
Hij hoeft er het huis niet voor uit.
De hometrainer verplaatst hem.


© Gedicht én foto: Jana Arns


Uit de debuutbundel 'Status: het is ingewikkeld' die wordt uitgegeven
door Uitgeverij P en die op zaterdag 24 september 2016
wordt voorgesteld in het Poëziecentrum Gent.


maandag 22 augustus 2016

Status: het is ingewikkeld - Jana Arns - Voorpublicatie

Jana Arns (°Gent, 1983) debuteert als dichter met de bundel “Status:
het is ingewikkeld”, een uitgave van Uitgeverij P. Zij is behalve dichteres ook muzikante en fotografe, en dat zoals ze zelf graag zegt, nooit los van elkaar. Als muzikante concerteert ze met het ensemble Aranis al sinds 15 jaar in binnen- en buitenland.
Na haar muzikale opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen volgde ze een opleiding als fotografe aan het SASK en stelde onder meer tentoon in de Salons in Sint-Niklaas en Museum M in Leuven. Gedichten van Jana Arns verschenen eerder in Poëziekrant, Meander, De Contrabas en in de bloemlezing Het Gezeefde Gedicht. Haar debuutbundel 'Status: het is ingewikkeld' wordt op zaterdag 24 september 2016
voorgesteld in het Poëziecentrum Gent. Iedereen welkom maar liefst wel vooraf een seintje via het Poëziecentrum

De Schaal van Digther’ publiceert vanaf morgen in voorpublicatie drie gedichten uit ‘Status: het is ingewikkeld’:

Jana Arns


Uit de debuutbundel 'Status: het is ingewikkeld' die wordt uitgegeven
door Uitgeverij P en die op zaterdag 24 september 2016
wordt voorgesteld in het Poëziecentrum Gent.


Fase 2
Carissimi
Ik haal mijn moeder uit de was


Meer info:
Poëziecentrum – Reservatie aangewezen
Bundelpresentatie op Facebook: “Ik ben ondersteboven van jou”
Uitgeverij P
Info en reservatie: info@uitgeverijp.be
Thuissite Jana Arns

vrijdag 12 augustus 2016

Het boekje van de dichter - Martin Pulaski



















Het boekje van Martin Pulaski... Of toch één van zijn boekjes. Martin Pulaski houdt sinds jaar en dag op zijn Hoochiekoochie-blog zijn verzamelde kronieken bij. Eerder was hij bij Digther (in de papieren editie) te gast in de reeks 'Wie blogt die blijft'... Over zijn Hoochiekoochie-blog schrijft hij zelf:

Wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘ van het bewustzijn leidt.

http://hoochiekoochie.skynetblogs.be

woensdag 10 augustus 2016

Oorsprongen – Julien Vangansbeke

Verbannen uit de bloedbaan
van mijn moeder verdween
ik schurftig uit beeld.
Geen vingerhoed moed
wekte mij op. Verwoed
ging ik tekeer tegen wat
zich ophoopte in mijn borst.
Met mijn dagboek als boei
vervelde ik van het verleden.

In cinema Rio trippelde
ik vingervlug door
je bloemige tepeltuintjes.
Spoorloos gelukkig liet ik
mijn uiterlijk achter de rug.
Buiten zinnen viel ik
uit de wolken in je armen.
Elk woord spon mij
in een smetteloos web.


© Julien Vangansbeke


Extern:
Julien Vangansbeke 80, een kleine hommage - Jan M. Meier
Toespraak Julien Vangansbeke - Harelbeke, 5/2/2016
"Tot de vrienden van de Poëzie" - Toespraak Julien Vangansbeke - Drongen, 7/2/2016
Yang-Poëziereeks-Site



dinsdag 9 augustus 2016

Omcirkelingen – Julien Vangansbeke

Soms verdwijn ik om
mij tot leven te wekken.
Neem een pen ter hulp.
Een geranium grijnst mij toe.
Gelukkig vind ik geen
overtollige woorden, ben
ik barrevoets geboren,
en nu op kousenvoeten
oog in oog met mijn kat
een oogwenk opgewekt.

Sta mij toe heilzaam te
stamelen tegen het behang.
Een ander te zijn zonder
eelt op hiel en ziel,
hinkend naar nergens.
Luister naar de kreet die ik
binnensmonds slaak.
Kon de blos op je wangen
mij maar weer verwarmen.
Had ik maar contact met
je stem in het luchtledige.


© Julien Vangansbeke


Extern:
Julien Vangansbeke 80, een kleine hommage - Jan M. Meier
Toespraak Julien Vangansbeke - Harelbeke, 5/2/2016
"Tot de vrienden van de Poëzie" - Toespraak Julien Vangansbeke - Drongen, 7/2/2016
Yang-Poëziereeks-Site



maandag 8 augustus 2016

Tijdstippen – Julien Vangansbeke

Via een hersenkronkel
bereik ik een landweg.
Een vogelschrik wijst
naar je uitgelaten lach.
Een ademloze kus
streelt mijn verhemelte.
Ik hoor een ezel janken
over onbeholpen liefde.

Een merel strijkt neer.
Vliegt op met een worm.
Na een leven lang zweven
zal hij zalig uitrusten.
Om te verworden tot
humus voor zingend zaad.
Zo wil ook ik, zielenpoot,
vleugellam opflikkeren.


© Julien Vangansbeke


Extern:
Julien Vangansbeke 80, een kleine hommage - Jan M. Meier
Toespraak Julien Vangansbeke - Harelbeke, 5/2/2016
"Tot de vrienden van de Poëzie" - Toespraak Julien Vangansbeke - Drongen, 7/2/2016
Yang-Poëziereeks-Site



zondag 7 augustus 2016

Van lieverlee - Julien Vangansbeke

Ik vlucht uit bed, eet
een belegd broodje om
op krachten te komen
van een nachtmerrie,
zucht tot in mijn kruis.
Fietsend door het dorp
kom ik een vrouw tegen
met een hondse oogopslag.
Om de hoek rij ik broeierig
mijn schaduw achterna.

Ik doe boodschapen. In
mijn stamcafe is de dood
van een grijze gast stof
voor een vrolijke babbel.
Zijn laatste ademtocht bruist
in het schuimend bier.
Bij de slager vraagt een klant
of ik nog poëzie schrijf. Ik knik
en koop twee worsten. In dit
geloof wil ik verder bestaan.


© Julien Vangansbeke


Extern:
Julien Vangansbeke 80, een kleine hommage - Jan M. Meier
Toespraak Julien Vangansbeke - Harelbeke, 5/2/2016
"Tot de vrienden van de Poëzie" - Toespraak Julien Vangansbeke - Drongen, 7/2/2016
Yang-Poëziereeks-Site



zaterdag 6 augustus 2016

Tot de vrienden van de poëzie – Julien Vangansbeke

Beste vrienden van de poëzie,

Poëzielezers kunnen zich nauwelijks of niet voorstellen hoe iemand op een godvergeten dag dichter wordt, zelfs de meeste dichters herinneren zich dat moment niet.

Omdat ik in feite alleen voor mijzelf kan spreken, gebeurde dat waarschijnlijk toen ik op ongeveer vijfentwintigjarige leeftijd op tv de Vlaamse dichter Karel Jonckheere het,
van zijn hand, aangrijpend gedicht ‘Kinderen met een krekelstem’, over het vermoorden van een heel klasje schoolkinderen tijdens de oorlog, hoorde voorlezen. Wat mij in die periode ook boeide was het wekelijkse praatje over poëzie van de Nederlandse dichter Gabriel Smit op radio Hilversum. Niet dat ik na te hebben geluisterd naar Karel Jonckheere ’s anderdaags al naar de pen greep om mij poëtisch te bekommeren over het lot van de mensheid. Nee, wat mij boeide, waren zielenroerselen omtrent mijzelf en mijn directe leefwereld, die toen in feite niet veel groter was dan het dorp waar ik geboren ben, én gelukkig nog steeds, woon.

Toen in familiale kring voor het eerst het nieuws de ronde deed dat ik schilderijen maakte en gedichten schreef, drukte mijn grootvader mij op het hart dat een kunstenaar maar beroemd wordt na zijn dood – iets wat ik, hoe ouder ik word, meer dan ooit hoop.

Gedurende mijn leertijd als dichter stak in een binnenzak van mijn jas vaak een notitieboekje waarin ik, gedurende het fietsen van en naar mijn werk, ingevingen opschreef. Hoe interessant die op het eerste zicht ook leken, toch bleken ze zelden voldoende om er een goed gedicht van de maken. De meeste van die flitsen inspiratie belandden, ondanks al mijn fantasie, in de papiermand.

Het is evident: een dichter valt niet zomaar kant en klaar uit de lucht. Sinds het begin van de moderne tijd is elke dichter min of meer een eclecticus en, tussen aanhalingstekens, een schizofreen, wiens enige zekerheid de twijfel is. Twijfel, die de bijzonderste drijfveer is op zoek naar de kern van het bestaan.

Gedurende de jaren dat ik de stiel leerde, had ik veel aan het boek ‘Het schone geheim van de poëzie’ van de Leuvense hoogleraar letterkunde Albert Westerlinck: een synopsis van zijn lessen.

Er waren ook onvergetelijke woorden van befaamde dichters die ik in mijn oren knoopte, zoals: ‘Een poëtisch talent vergeet beter alles wat hij op school heeft geleerd’, ‘Een dichter moet de taal loszingen van haar dagelijkse betekenis’, ‘Een jonge dichter die onder de tram terechtkomt, getuigt van weinig talent’, ‘Dichters zijn oplichters’ (verdraaien de werkelijkheid) en ‘De dichter is een koe’ (is een herkauwer). Men mag echter niet vergeten dat zij die dit schreven, ook van mening waren dat poëzie tegelijk de meest verheven kunstdiscipline is. Een uitspraak waar ik volmondig achter sta.

Zoals ieder kind van zijn tijd, werd ik beïnvloed door de moderne kunst, en raakte ik begeesterd door het vrije vers. Door wat heet ‘de schok der herkenning’ vond ik via vertaald werk van grote internationale dichters vanaf het begin van vorige eeuw, geleidelijk een eigen stem.

Ongeveer vijf jaar duurde het voor een gedicht van mij werd gepubliceerd in een bekend Vlaams literair tijdschrift. Stilaan kreeg ik greep op het ordenen van de klankrijkdom van de taal en het op zinvolle wijze maken van strofen. Beeldend schrijven was mijn sterk punt. Volgens een vriend schreef ik even kleurrijk als een schilder, wat ik een compliment vond.

Van de ongeveer driehonderd gedichten die ik schreef tijdens de periode 1965-1985 zijn de helft gepubliceerd. Van dit aantal heb ik er tweemaal zes waardig gevonden om vandaag voor te lezen. Een dozijn is een mooi afgerond getal, vind ik.

Maar voor we zover zijn, nog iets over het schrijven en lezen van poëzie. Een gaaf gedicht schrijven is, zoals een vriend me ooit poëtisch op het hart drukte, hard werken vooraleer men kan zingen als de vogeltjes. Inspiratie krijgen, allemaal goed en wel, maar… Als je bezig bent een gedicht af te ronden, is het, na talrijke versies te hebben geschreven, niet zo verwonderlijk, dat de aanzet ervan de laatste strofe of versregel wordt.

Gedichten schrijven en ook lezen leidt tot een onontwarbaar kluwen van interpretaties. Laat honderd dichters over eenzelfde onderwerp een gedicht schrijven of honderd lezers eenzelfde gedicht lezen, en je zult verstomd zijn hoe afwijkend hun visie onderling is. De grote Nederlandse dichter Martinus Nijhoff heeft dat verschijnsel treffend samengevat in de boutade: Je leest nooit wat er staat.

Het is de taak van de dichter uit de wirwar van dikwijls onsamenhangende en vluchtige gedachten, een toegankelijk geheel te smeden. Dat daar veel geduld mee gemoeid is, begrijpen buitenstaanders meestal niet. Vooral omdat deze activiteit een bezigheid is die nooit in het openbaar gebeurt. Wat bij velen ook meespeelt, is het romantische vooroordeel dat een man die zich bezondigt aan de dichtkunst per definitie een weelderige haarbos, baard en snor moet hebben en een pijp roken, en een kunstenares er excentriek en ietwat slonzig moet uitzien en nooit koket. En wat hun innerlijk betreft gaat men ervan uit dat, per definitie, beide seksen ongetwijfeld verward en verwaand zijn – kenmerken waar volgens mij niets mis mee is om, als een god in eigen gedachten, tot het schrijven van poëzie te komen.

Toen zich ooit een minnares van de poëzie verwonderde, dat mijn uiterlijk niet beantwoordde aan het beeld van een dichter dat ik net beschreef, antwoordde ik haar ironisch: ‘Sorry, mevrouw, maar ik lijk liever op een motorcrosser’.

In 1966 verscheen mijn debuutbundel. Toen er in Gazet van Antwerpen een positieve bespreking over verscheen met, in koeien van letters, als titel de toepasselijke naam ervan ‘In woorden ontwaken’, liep ik dagenlang op wolken. Maar evenzeer was ik opgetogen toen een cafékennis, die ergens iets over mijn poëtische prestatie had opgevangen, mij proficiat wenste met: ‘Van alle Drongenaars van onze generatie, Julien, ben je een van de weinige die zich aan zijn eigen haren uit de klei heeft getrokken’.

Ik heb mij echter nooit verheven gevoeld boven wie of wat dan ook. Zelfs niet toen ik in 1980 om mijn literaire prestaties gelauwerd werd tot Ridder in de Leopoldsorde. Toen dit bericht uit Brussel in mijn bus viel, voelde ik mij vereerd, maar was ik ook niet te beroerd om mij met enige zelfspot te bekronen tot ‘De Werkloze Ridder’, gewoon omdat ik op dat ogenblik toevallig ook echt zonder werk zat.

In mijn dorp nauwelijks bekend als dichter las ik tussen 1965 en 1985 mijn werk voor in expositiezalen, schouwburgen, stadhuizen, bioscopen, een casino of op een kiosk in de steden Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge en Oostende, maar ook in parochiehuizen, cafés, marktpleinen, schuren en op zolders in velerlei kleine Vlaamse dorpen en gehuchten. En dit voor een publiek variërend tussen de tien en de vijftig luisteraars.

Inderdaad, aan dichten kunnen alleen enkele begenadigden een flinke stuiver verdienen, maar toch zal je mij hieromtrent nooit horen klagen. De oplage van mijn bundels; driehonderd exemplaren groot, of klein zoals je wilt, ging telkens vrij vlot van de hand. Bijkomende inkomsten voor mijn dichtkunst ontving ik ook via een subsidie en een reisbeurs vanwege het Ministerie van Cultuur, en het winnen van een paar poëziewedstrijden.

Maar nog meer dan door financiële tegemoetkomingen, begon mijn hart te popelen wanneer mijn gedichten werden gepubliceerd in bloemlezingen, zoals bijvoorbeeld in die van het Davidsfonds.

Tijdens mijn beste jaren als dichter begon ik in tijdschriften ook kronieken te schrijven die vooral betrekking hadden op mijn leefwereld, en mijzelf. In deze kronieken ging ik soms vrij hard tekeer tegen allerhande kortzichtigheid. Een criticus was van oordeel dat ik deze kronieken als het ware schreef met terpentijn. In 1981 verscheen mijn galspuwen onder de titel ‘Een schoen vol moed’. Hoon en waardering uit uiteenlopende hoeken vielen mij te beurt.

Vele jaren na publicatie vertelde een vriend mij dat mijn enige prozaboek, ‘Een schoen vol moed’, in een kraampje op een rommelmarkt naast een roman van Walschap te koop lag en dat, tot zijn verrassing, mijn werk er twee euro duurder te koop was dan het zijne. Van een laattijdig groot succes gesproken!

Maar met de publicatie van ‘Een schoen vol moed’ loop ik vooruit op de grote breuk in mijn dichterschap: het overlijden van mijn twaalfjarige dochter Dominique eind oktober 1975 – een klap die ik geestelijk pas na ruim vijf jaar enigszins kon verwerken in mijn dichtbundel ‘Avondliederen’. In 1981 werd gelijknamige cyclus uit deze bundel bekroond met de ‘Masereelprijs’.

Daarna verstreken er voor mij vele onproductieve jaren als dichter. Om dit gat op te vullen, begon ik vanaf 1990 te schrijven voor Dronghine, het jaarboek van de plaatselijke heemkundige kring. Wat ik nog steeds met genoegen doe. Hoe nauw verbonden ik mij ook met de poëzie blijf voelen, toch heb ik al, vanaf mijn schooltijd, ook een zwak voor geschiedenis.

Tijdens de vele jaren dat ik niet meer aan dichten toekwam, bleef ik echter altijd een verwoed poëzielezer, zowel van oud als van nieuw werk. Slechts heel sporadisch kwam ik als dichter nog eens boven water. Eerlijk gezegd moeizaam, en niet meer met dezelfde onbevangenheid als in mijn beste jaren.

Pas na 25 jaar publiceerde ik in 2006 een nieuwe bundel: ‘Benaderingen’. Rond dezelfde tijd begon ik na evenveel jaren ook opniew kritische kronieken te schrijven die verschenen in Antwerpse en West-Vlaamse literaire tijdschriften. Beide publicaties genoten, behalve via het nieuwe medium ‘internet’, in de geschreven pers nauwelijks aandacht.

En nu ik tachtig ben heb ik, voor het het eerst sinds lang, met plezier opnieuw enkele korte gedichten geschreven, net zoals in mijn debuutbundel een halve eeuw geleden, en word ik vandaag in de bloemetjes gezet. Wat kan een dichter nog beter wensen.

Ik dank u hartelijk voor uw aanwezigheid, en veel luistergenot.


© Julien Vangansbeke
Drongen, zondag 7 februari 2016


Julien Vangansbeke en het levenslange avontuur van de poëzie

Op 5/2/2016 werd Julien Vangansbeke - dichter van vele kalme en nieuw-realistische
oorlogen en onder meer medeoprichter van de legendarische Yang-Poëziereeks - tachtig. Dat werd op de dag van zijn verjaardag gevierd met een Yang-Reunie én een tentoonstelling in de Bib van Harelbeke. Julien sprak er in het gezelschap van vele collega-Yang-dichters over 'het levenslange avontuur van de poëzie' dat hem te beurt is gevallen. Ook in Drongen, zijn geboortedorp, werd Julien de zondag daarna, op 7/2/2016, vereerd met een zondagse hommage.

Vandaag publiceren we hier graag de tekst van zijn toespraak in Drongen. De tekst van de toespraak in Harelbeke staat ondertussen al een tijdje na te lezen op de Yang-poëziereeks-site.

De komende dagen publiceert de Schaal van Digther ook vier nieuwe Vangansbeke-gedichten die de dichter recent met vernieuwd plezier wist neer te schrijven.

Yang-Poëziereeks-Site
Toespraak Julien Vangansbeke - Harelbeke, 5/2/2016
"Tot de vrienden van de Poëzie" - Toespraak Julien Vangansbeke - Drongen, 7/2/2016
Julien Vangansbeke 80, een kleine hommage - Jan M. Meier


woensdag 3 augustus 2016

Het portret van een hilarische Hollandse schrijver - Hendrik Carette


Het liefst begeleidt hij een lied uit een liedboek,
een psalm, een Bachcantate
in een protestants bedehuis
op een Lohmanorgel met twee klavieren.

Hij is geen gek en geen vrek, hij is hilarisch:
wanneer hij weer eens erg verliefd is fietst hij
van Warmond naar Leiden
of van zijn moestuin naar het zwembad.

Hij eet zijn middagboterham als een Hollandse
man: een eenvoudige boterham met oude kaas.
En hij gaat vroeg slapen want staat ‘s morgens
al vroeg op, nog voor het hazengrauwen.

Hij kent de ortolaan, de regenwulp,
de vogelspin, de rat en de rattenkoning,
het leven van Bach, de oude vertrouwde Bijbel
en de verhalen van zijn vriend, die andere Maarten.


© Hendrik Carette


zondag 31 juli 2016

Proustomanie - Frans Deschoemaeker

Waar was je toen Kennedy vermoord werd? Waar was je toen je het nieuws van de aanslagen op het World Trade Center van New York vernam? Kan je jezelf situeren in de ruimte en in de tijd op het moment dat je Prousts A la recherche du temps perdu integraal uitgelezen kreeg?

Ik zat in de trein.

Het is vrijdagavond 8 oktober 2004. Ik ben precies één maand in mijn vijftigste levensjaar. Ik lees de laatste volzin van Le temps retrouvé, lees ze nog een keer, sluit het boek, en merk dat de trein stil staat. Hij staat stil op een plaats ergens tussen Ede en Herzele, in het open veld, waar hij bijna elke dag, om een onnaspeurbare reden die met de spoorwegexploitatie moet te maken hebben, even stilstaat, of althans vertraagt.

Vandaag staat hij er zelfs iets langer stil, om zijn stilstand te laten samenvallen met mijn beëindigen van de Recherche, en om mij de gelegenheid te geven uitgebreid door het raam te gaan staren.

Een verlaten weiland, aan drie kanten omzoomd door een meidoornhaag, een weggetje dat zich de akkers in slingert, onder de vandaag bepaald nog warme oktoberzon, een boomgaard waar ladders verdwijnen in de volle ooftkronen. (En verder, de kant van Méséglise op, dat hier Roborst heet, verbeeld ik mij de blauwende contouren van het kasteelpark en de ritselende dreven). Moet hier nu niet, in dat felle tegenlicht bij de meidoorn, Gilberte Swann verschijnen, die smalend de middenvinger naar mij opsteekt en knipoogt naar een grinnikende Baron de Charlus, die als een sater tussen het oude groen heeft postgevat?

Proust is uit. Het wordt de komende weken wennen, zonder hem.

Naschrift op 13 juni 2012:

Er is een select clubje van bergbeklimmers die alle veertien de achtduizenders bedwongen hebben. Minnaars die in vliegtuigen op grote hoogte en kruissnelheid, en meestal in toiletten, tot de liefdesdaad komen, treden toe tot de Mile High Club. In mijn persoonlijk streven naar het hogere heb ik vandaag een punt gezet achter mijn tweede integrale lectuur van A la recherche du temps perdu van Marcel Proust. Ik heb nu een uitvoerig geannoteerd, in bijna tien jaar tijd zeer beduimeld geraakt exemplaar van de Recherche op de plank, met honderden aangestreepte, niet te verliezen en eerlang weer te herlezen passages. Wie presteert dit nog, de dag van vandaag? Ik mag mij, zo meen ik, naast bosdichter en Vriend van de Vorm, voortaan ook proustomaan noemen.


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


© Frans Deschoemaeker

woensdag 13 juli 2016

Voorbeeldige Volharding - Alain Delmotte

Integrale toespraak van Alain Delmotte bij de opening van de huldetentoonstelling Roland Jooris 'De contouren van het verstrijken'
Bib Harelbeke, zaterdag 9/7/2016



Dames en heren,


Vandaag vieren we Roland Jooris. De Harelbeekse bibliotheek brengt in een tentoonstelling voor hem typerende aspecten en accenten in beeld en in de eerste plaats – het is onvermijdelijk - zijn grote affiniteit met de plastische kunsten. Van mij wordt een woord over het literaire werk van Jooris verwacht. In eerste instantie is en blijft Jooris een dichter. Maar hij is ook een essayist. Allerlei beschouwende teksten (die vaak notities zijn) werden samengebracht in de kleinoden ‘Geschilderd en geschreven’ en ‘Getekend of gedicht’. Ook in deze verzamelingen toont hij zich een dichter: er is eenheid van schriftuur in zowel zijn gedichten als in zijn proza. Van enkele van die notities maak ik verder dankbaar gebruik.

‘Le poète n’est rien, ce qu’il cherche est tout.’ Aldus Maurice Blanchard. De dichter is niets, wat hij zoekt is alles. Er is maar één manier om een dichter te eren:
hem blijvend lezen en herlezen. Wat ik zal brengen wordt een persoonlijk leesverslag. Ik ga op zoek naar wat mij als lezer verwant maakt met dit poëtische werk. Jooris schreef: ‘Het woord van de dichter drukt verwantschap uit. Het vervult geen opdracht’. En het woord van de dichter is: ‘Het losgezongen woord dat uit de ziel van het zwijgende kunstwerk komt’. Deze woorden vallen in een context waar hij het heeft over de wijze waarop men over schilders zou kunnen schrijven. Het is maar een stap van het ‘zwijgende kunstwerk’ naar het ‘zwijgende dichtwerk.’

Schrijven over het werk van Jooris is geen sinecure omdat er zoveel en geïnspireerd over hem werd geschreven. Wat zou ik daar nog aan kunnen toevoegen? Bij het herlezen van het werk, bemerkte ik dat er toch nog te exploreren viel.

Laat me vooraf – schetsmatig, op het elliptische af – nakijken op welke manier doorgaans het werk van Jooris wordt gekenmerkt.

Het kale woord staat formeel centraal. Jooris omschrijft zijn poëzie zelf als ‘rauw’. Motieven als verdwijnen-verschijnen, aanwezigheid-afwezigheid, abstract-concreet, afstand-nabijheid, visueel-tactiel, binnen-buiten zijn constanten. De gedichten zijn smal, vertikaal, knokig, knoestig, aangestampt, minimalistisch. Het reflexieve speelt een belangrijke rol: het gedicht denkt na over zichzelf, verwoordt zijn scheppingsverhaal. Alles staat in het gedicht gespannen en opgespannen tot het uiterste weerbarstige. Elk woord, elke lettergreep, elk leesteken, insprong, verschuiving, elk glimpje wit heeft een moeizaam verworven plaats en rol in het spanningsveld van het gedicht. De taal wordt er in zijn materialiteit benaderd. Wat spiritualiteit niet uitsluit. De ultieme, absolute betrachting, het niet tot pragmatiek te overtuigen verlangen: iets tijdloos maken, iets wat stilstaat in de tijd, stilstand van de tijd. Een poging tot verwoording van het ‘onmogelijke’ en het ‘ongenoemde’. Jooris ontwikkelde zich gestaag. Zijn werk blijft expliciet essentialistisch. Gaandeweg wordt ze impliciet meer en meer existentieel.

Het eindbeeld dat men doorgaans van deze gedichten overhoudt is dat van een ‘sculptuur’, een taalsculptuur. Iets waarop Jooris overigens zelf aandringt. Een sculptuur veronderstelt een derde dimensie, een ruimte. Is die ruimte het witte blad? Is het daarvoor een niet wat te plat vlak? Het lijkt me meer een sokkel. Een te woordspelige opstelling, ik besef het. Maar in mijn overtuiging is er een derde dimensie in dit werk aanwezig.

Vooreerst een evidentie. De materie waarmee in een gedicht gewerkt wordt is de taal. Die taal wijkt af van de taal waarvan we dagelijks gebruik maken. Wat is er dan aan de hand? Wat motiveert dichters?

Volgens Jooris willen dichters ‘met verwondering de woorden opnieuw ontdekken’. Dichters willen voortdurend (her)beginnen. Zij schrijven zich niet naar het laatste woord toe: zij willen stranden op het eerste woord. Elk gedicht geldt als een nieuwe inwijding.

Dichters maken met taal een eigenzinnige particuliere taal. Een zich toegeëigend moedertaalgebied. Of zoals Paul Valéry het omschreef: ‘chercher une langue dans la langue’, een taal zoeken in de taal.

Men kan stellen (het wordt in de huidige kritiek constant gesteld) dat een gedicht een constructie is. Ongetwijfeld. Bij Jooris is dit zeker het geval. Het voornaamste bouwelement van zijn constructie is het autonome woord. Maar het woord ‘constructie’ laat me op mijn honger. Alsof het schrijven van een gedicht een willekeurige, vrijblijvende daad zou zijn, dat nergens in is geïmplementeerd. Om dat te verhelpen wordt/werd wel eens het woord ‘urgentie’ in de mond genomen. Dwingende, dringende noodzaak. En, ja, inderdaad de poëzie van Jooris is vanuit die urgentie, vanuit een prangende en pregnante taalspanning geschreven. Niettemin hou ik alweer niet van het woord ‘urgentie’. Tegenover ‘constructie’ en ‘urgentie’ plaats ik de meer organisch gerichte termen ‘constitutie’ en ‘humus’.

Humus: teelaarde, ‘bladgrond’ van waaruit het gedicht zijn constitutie vormt. Het bestaat uit allerlei segmenten die humus tot een complex geheel maken.
Uit flarden die uit de diepste nevels van onze psyche zijn opgedoken en die mee het deeg van onze verlangens en beweegredenen hebben gekneed. Bestanddelen die onder meer uit existentiële bezinksels en samenraapsels zijn samengesteld. Alles wat we onszelf door empirie, onderricht en lectuur hebben doorgegeven en in de vreemdste plooien en vouwen van ons innerlijk werd geassimileerd. Alles wat ons menselijk maakt, wat leven is, alles wat zich in ons bestaan op zeldzame keren als leven voordoet. Met haar verrukking. Met haar afgrond. En met wat daartussen plaatsvindt.

Humus hoopt zich levenslang op. Het is mest, most. Uit dat basale ontspringt de constitutie van het gedicht. Constitutie: in de twee betekenissen van het woord - ‘grondwet’ en ‘lichaamsbouw’. Lichaamsbouw is de ultieme, absolute motivering: een gedicht schrijven dat deel uit zou maken van een onweerlegbaar lichaam. Ivan Ollevier noteerde: ‘Roland Jooris vertelde me dat hij de wens koestert ooit een gedicht te schrijven dat als een ledemaat bij hem zou horen’.

In de poëzie van Jooris staan de woorden in hun een- en enkelvoud te lezen. In hun wezenlijke, complexe lichamelijkheid die uit een veelgelaagde voedingsbodem ontsprong. De gloed die deze gedichten uitdraagt is een mengsel van licht en donker: als die samenvallen vormen ze schaduwen en arceringen. Hij zegt het zelf: ‘Poëzie is maar helder als ze duisternis toestaat’. Sommige lezers lopen wel eens tegen die muur van duisternis aan als ze voor het eerst met die ‘eigenzinnige’, ‘afgeschuurde’, ‘afgestompte’ gedichten worden geconfronteerd. De vraag die bij hen opwelt is: wat hebben deze gedichten te zeggen? De vraag naar het begrip.

In dat verband herinner ik me een interview waarin de door Jooris terecht hoog bewonderde André Du Bouchet ongeveer stelde dat het begrijpen er niet meteen toe doet. Het is de kwestie niet. Elders zegt hij dat de klemtoon moet worden gelegd op wat niet te begrijpen is in het gedicht. Lezing na lezing kan begrijpen fluctueren. Begrip is een veel te omsloten en omsluitende term. Er zit altijd wel iets in een gedicht waarop geen vat te krijgen is. ‘Het ongrijpbare’ noemt Jooris dit. Op het ongrijpbare greep kunnen krijgen is wat de dichter Jooris tot op vandaag is blijven aandrijven. Wat zou aan het begrijpen vooraf gaan? Wat is in het gedicht belangrijker dan begrip?

Du Bouchet wordt doorgaans als een moeilijk dichter omschreven. Sommigen noemen hem onleesbaar. Onterecht: alles hangt af van hoe je hem leest. Dit is het punt: hoe moet je poëzie lezen? In een nota over Du Bouchet bekent Jooris dat hij in eerste instantie naar de gedichten van Du Bouchet ‘kijkt’. Het gedicht is voor Jooris een venster. Een raam. Ik citeer: ‘Du Bouchets poëzie vraagt in de eerste plaats om bekeken te worden. Kijken als een voorafgaande vorm van lezen: uit de adem en het oog van de stappende dichter gegroeide mistflarden en woorden die hun ritme, hun beweging en hun stilstand op het blad vinden, met veel gevoel voor het omgevende wit.’ Wat ik in het geciteerde wil benadrukken is het woord ‘adem’ en het gegeven dat kijken aan lezen voorafgaat.

Adem. Een andere notitie vertelt ons het volgende: ‘Zelden hoor ik zo veel onrust in stilzittend zwijgen: een geluid van wimpers, van adem die hunkert naar taal.’ Ik voeg er een bedenking aan toe: ook taal, ook het gedicht hunkert naar adem.

In nog een andere notitie – naar aanleiding van een opmerking van Hans Vandevoorde die Jooris een ‘duivenmelker van het absolute’ noemde - lezen we iets over het schrijfproces: ‘de woorden afwachten, ze in het hok van het wit duwen. Ze horen koeren nadien.’ Schrapen we de metafoor af dan komen we op het volgende uit: ‘de woorden afwachten, ze op het witte blad een plaats geven en ze horen ademhalen nadien.’ Adem vormt de constitutie van het gedicht mee. Adem maakt deel uit van de daarnet omschreven humus. Misschien is het wel het voornaamste bestanddeel.

Het woord hunkert naar adem en de adem hunkert naar woord. Adem doet het woord activeren en articuleren. Het woord wil gehoord worden. Poëzie lezen vergt twee vaardigheden: je moet kunnen kijken naar een gedicht en je moet er met een innerlijk oor naar kunnen luisteren. ‘L’oeil écoute’ – het oog luistert: het is de titel van een boek waarin Paul Claudel zijn kunstkritische opstellen verzamelde.

Hoezeer het zwijgen in deze poëzie wordt gethematiseerd – zijn gedicht is spraak. Het gedicht spreekt. In al zijn eenzelvigheid spreekt het gedicht ons toe. Het gedicht roept op. Het appelleert. Het is dit appel dat aan het begrijpen vooraf gaat. Het appel is een meerstemmige stem. Het appel is de menselijke uitstraling van het gedicht. Dit is nu net wat het gedicht onherroepelijk ongrijpbaar en niet te reduceren complex maakt. De driedimensionale ruimte waarin de taalsculpturen zich bevinden zou een spreekruimte kunnen zijn.

Voor alle duidelijkheid: ik heb het over ‘spraak’ niet over ‘parlando’. Parlando is netjes, keurig, geaffecteerd. Spraak is scherpzuur. Het laat syntactische verspreking toe. En fluisteren, stotteren, grommen, mompelen, stompen, rommelen, stommelen. En stamelen, hakkelen, lispelen, hijgen, horten, ronken, ‘letterlallen’ en ‘klankstoten’. Allemaal woorden die we verspreid in het werk van Jooris terugvinden.

In de Amerikaanse poëzie wordt dit ‘speech’ genoemd. Het liet zich bijvoorbeeld onderkennen in de poëzie van William Carlos Williams. Later werd het uitgediept door sommige black Mountain dichters. Onder meer Robert Creeley. Samen met dat van de Amerikaanse objectivist George Oppen is het werk van Creeley Jooris niet onbekend. Er is een belangrijk verschilpunt tussen hem en Creeley. Creeley ging ooit in debat met dichteres Denise Levertov. ‘Speech’ was voor Creeley ‘outer speech’, voor Levertov ‘inner speech’. Zonder hierop verder in te gaan is het duidelijk dat de poëzie van Jooris zich als ‘inner speech’ laat karakteriseren. Innerlijke, binnensmondse spraak, monddicht spreken. In-spraak. Jooris neemt het woord vanuit en met een scheve mondhoek: spreken met de tanden op elkaar.

‘Bladgrond’, de bundel die vandaag wordt voorgesteld. Een typerende titel. Tweelettergrepen, negen lettertekens waarvan slechts twee klinkers zijn. De voorliefde van de dichter voor de medeklinker en het dissonante is bekend. Er laat zich een staccato horen: allemaal teksten met een hoek af. Jooris’ gedichten zijn zelden bevallig. Ze ondernemen geen pogingen om te charmeren, te lokken of te pronken: ze mokken.

De titel is dubbelzinnig. Het blad als papier, grond als oppervlak. Bladgrond als een wit blad. Bladgrond is ‘humus’. Een cyclus ‘Basaal’ evoceert de elementaire bestanddelen van die humus. Ook in andere gedichten worden bestanddelen aangegeven en opgestapeld. Opsomming is een af en toe voorkomende stilistische figuur in de bundel.

Onvermijdelijk roept de titel ‘Bladgrond’ een reminiscentie op naar de bundel ‘Bladstil’ uit 1977 die een belangrijke schakel in de evolutie van zijn werk vormt. Het volstaat om ze beide na elkaar te lezen om vast te stellen hoe drachtig, hoe beklemmender deze poëzie is geworden.

Verspreid over zeven cycli lezen we 38 gedichten. De bloemlezingen niet meegerekend moet het één van de meest lijvige van Jooris zijn.

Laten we vluchtig de bundel binnenkijken. Langs het raam van de gedichten om. Het raam is een motief in de bundel. Een titel van een cyclus geeft aan hoe we eventueel tegen deze gedichten moeten aankijken: als ‘Gedenkstenen’. De verwijzingen naar de plastische kunst zijn aanwezig maar minder nadrukkelijk dan in vorige bundels. We bevinden ons in een schrijfkamer. We bevinden ons voor een tafelblad. We bevinden ons ‘daarbinnen’ (titel van een cyclus) en ‘tijdens’ (titel van een gedicht).

Er werd vastgesteld dat van bundel tot bundel het gebruik van de persoonsvorm ‘we’ is aangegroeid. Vloeit spraak naar tweespraak uit? Wie zijn dat die ‘we’? Een ‘ik’ en een derde? Of is het een ontdubbeling van het ‘ik’. Of komen we in de denkwereld van Martin Buber terecht: het ‘wij’ als een dialogerend ‘ik-jij’, een enkelvoud dat een tweevoud wordt? Of is het ‘de dichter en het gedicht’, ‘het gedicht en het woord’? ‘De dichter en het gedicht’? In de bundel lezen we:

‘de vragen die men zich stelt/ roepen geen antwoorden/ op’

Dichter en lezer moeten het stellen met het ‘niet begrijpen’. De lezer mag de hiaten vullen. Of die zo laten.

Getorst door hunker wil elk van die hier gepubliceerde gedichten elke verstomming doorbreken, een bres slaan in het ongenoemde om dit ongenoemde eindelijk en definitief uit te kunnen spreken. Het gedicht moet openbaring worden. Maar de dichter bekent: het gedicht

‘trekt zich een spoor van gemis/achterwege’

‘het onmogelijke absolute/ ligt eigenzinnig op de punt/ van je tong’

‘men beklemtoont / wat lippen niet uiten’

De bundel staat vol verwijzingen naar wat ik omschreven heb als spraak. Eén gedicht valt wat dit aspect betreft uit als een sleutelgedicht. ‘Endogeen’ heet het, wat tot de moedertaal behoort. Het lijkt te gaan over het ‘Gents’. Het Gents als moedertaal maar het gaat meer over moedertaal dan over het Gents. Het synthetiseert wat de dichter als ‘spraak’ ervaart, hoe het zich in zijn werk voordoet. De laatste strofe van dit gedicht luidt: ‘het komt/van averechts’

De spraak van de dichter is averechts, tegenspraak. Het is dwars, het ligt dwars. Dat koppige en onkreukbare dwarse is de inzet van deze poëzie. Haar engagement. Haar levenshouding. Haar ethiek. Het is een gevecht om waardigheid. Het wordt onder meer geformuleerd in volgende ongewoon roerende woorden voor Jooris’ doen: ‘tot tranen bewogen/ verbijten we het bloeden/ van een omzwachtelde tijd’

Verwantschap met dit werk vind ik als lezer in de strenge, quasi stoïcijnse luciditeit ervan. De wilskracht, de verbetenheid, de kromme maar voorbeeldige volharding. Verwond en omzwachteld gaat deze poëzie een lijf aan lijf gevecht aan tegen entropie, het aftandse, het uitdijen van de tijd en alles wat dat in de hand werkt. In al zijn kromte houdt deze poëzie trots het hoofd recht, houdt ze zich aan de aarde vast, gaat ze in de tegenaanval. Een poëzie die uitdrukkelijk kiest voor het verzet, het ondergrondse, voor wat de dichter zelf noemt ‘het maquis’. Met de woorden van de magnifieke Dichter-Maquisard René Char omschrijf ik die houding als ‘sérénité crispée’. Vrij vertaald: ‘Verkrampte helderheid’. Een citaat, een krachtterm die deze bundel past als een handschoen. Sérénité crispée.

Dames en heren, Roland Jooris zou tachtig jaar oud of jong zijn. Ik geloof dit niet. Roland Jooris is veeleer tachtig jaar taai. In ‘Akker’ staat een gedicht dat ik dit keer wel als bevallig ervaar en me toepasselijk lijkt om af te sluiten.

MATISSE

hoe
hij een lijn
kon doen vliegen
in de vorm
van een duif
tot een geklapwiek
van wit
in zijn schaar

met de hand verdeelde hij het licht
in het vlak
van zijn kamer


amper 80
fladderde hij
elke dag opnieuw
de lente
in


Roland, ik wens je veel nog vele jaren klapwieken en fladderen toe.


© Alain Delmotte


De tentoonstelling loopt van 9/7/2016 tot 27/8/2016 en is toegankelijk tijdens de openingsuren van de biblioteek.
Bib Harelbeke, Eilandstraat 2, 8530 Harelbeke
Meer info over de tentoonstelling.
Bladgrond bij Querido.


De contouren van het verstrijken - tentoonstelling Roland Jooris - Bib Harelbeke

In het animorijke huis van de literatuur dat de Bib van Harelbeke al jaren is, loopt
momenteel de tentoonstelling “De contouren van het verstrijken”, met liefde gebouwd rond het literair oeuvre van de dichter Roland Jooris. In Harelbeke was curator-bibliothecaris Jan Van Herreweghe geheel terecht van mening dat een eerbetoon voor Roland Jooris die op 22 juli e.k. tachtig wordt, en van wie recent bij Querido de mooie bundel ‘Bladgrond’ verscheen, niet zonder een tentoonstelling kon.

Van 13 uitzonderlijke kunstenaars die gelinkt worden aan een tekst (essay of gedicht) van Roland Jooris wordt werk getoond. Het gaat om werk van Raphaël Buedts, Luc Claus, Amedée Cortier, Raoul De Keyser, Karel Dierickx, Luc Drieghe, Noël Drieghe, René Heyvaert, Guy Leclercq, Eugène Leroy, Roger Raveel, Etienne van Doorslaer en Dan Van Severen. Het geheel biedt een bijzonder rijke inkijk in de poëtische wereld van de dichter Roland Jooris.

Naar aanleiding van de tentoonstelling publiceert de Bibliotheek Harelbeke tevens de bibliofiele uitgave Roland Jooris - ut pictura poesis. Deze publicatie bevat 10 gedichten van Jooris die werden geselecteerd door Jan Van Herreweghe en die enigszins aansluiten bij de tentoonstelling. De oplage bedraagt 100 ex. Alle exemplaren zijn gesigneerd door Roland Jooris.

Digther publiceert graag de integrale tekst die Digther-redacteur Alain Delmotte op 9/7/2016 in Harelbeke uitsprak bij de opening van de tentoonstelling. Als aanrader na te lezen in dit bericht: Voorbeeldige volharding.

De tentoonstelling loopt van 9/7/2016 tot 27/8/2016 en is toegankelijk tijdens de openingsuren van de biblioteek.
Bib Harelbeke, Eilandstraat 2, 8530 Harelbeke
Meer info over de tentoonstelling.
Bladgrond bij Querido.


dinsdag 28 juni 2016

Een kat in het museum Ludwig - Frans Deschoemaeker

Videokunst. Ik word er warm noch koud van. In musea verveelt het me al snel. Slechte televisie, denk ik dan, bij het zoveelste scherm. Daarom kijk ik een videowerkstuk zelden helemaal uit.

Tot ik er mij op een mooie dag in het museum Ludwig te Keulen plots van bewust werd dat ik mij zat te vergapen aan een filmpje waarin een kwartier lang niets anders te zien was dan een kat die op een zonnig terras een schoteltje melk aan het leeglikken was. Ik denk dat het de setting was: een donkere, zeer smalle zaal met een extreem hoog plafond en een achterwand waartegen het tafereel in reusachtige dimensies werd geprojecteerd.

Het camerastandpunt was laag. Ongeveer op de hoogte van het schoteltje. Afstand twee meter. De kat torende enorm en hoog boven de toeschouwers uit.

Ik moet nu proberen in woorden te vatten hoe een kat melk tot zich neemt. Hoe elke kat in de wereld melk tot zich neemt. Zij positioneert de kop diep tussen de schouders, net boven het melkoppervlak, knijpt de ogen tot spleetjes en likt met volstrekt synchrone bewegingen van de tong. Minutenlang. Af en toe wordt er even ingezoomd, wat het beeld herleidt tot niets dan immense snorharen, een roze neus, een tongetje tenslotte, waarin dat ganse kattenlijf zit samengebald, een tongetje dat het melkoppervlak rimpelt en kringen naar de oevers van het schoteltje drijft. Hoe een kat de wereld vergeet en zich in totale overgave aan likken wijdt, ingesponnen in haar universum van zon en melk, in haar bel van roezige wellust, slechts af en toe, maar niet vóór de tiende minuut, even ophoudend om zich de snorrenbaard te fatsoeneren.

Traag, zeer traag zakte het peil van de melk. Niemand verliet de zaal vóór het schoteltje tot de bodem geledigd was en zorgvuldig schoongelikt.

En het is pas later, veel later, dat mij het besef treft: ik reis naar Duitsland, ik ga in de rij staan, ik betaal een ingangsticket, om naar iets te kijken dat ik dagelijks kan waarnemen, thuis, op mijn eigen terras. Indien ik dat al zou willen, want geen kat trekt vijftien minuten uit om naar een kat te kijken die een schotel melk uitlikt. Maar in de museale ruimte, waar dat tafereel wordt uitvergroot, letterlijk en figuurlijk, wordt de kans dus groter dat ik dat wel doe.

En precies dit is nu zo ongeveer het soort bedenking, overweging, verwondering, inzicht, dat kunst in de hoofden van haar beschouwers zou moeten weten los te weken. Alle kunst.


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


© Frans Deschoemaeker

zondag 5 juni 2016

De dolenthousiasteling - Truus Roeygens

Iedereen gelukkig (3/3)


Wanneer BIJVOORBEELD
de zee stijgt in water
vlinders en bloemen uit elkaar groeien
onze aarde met het wereldrecord
stervelingen
Dan is het zaak
voor de dolenthousiasteling
· persoon die ons met twee handen gelijktijdig aanraakt terwijl wij ontbreken
· bepaalde soort, schrijft alle bomen van de wereld over
om
het vuur te stapelen

op de wachtlijst
voor de nieuwe planeet



© Truus Roeygens