zaterdag 18 maart 2017

Een vermoeden van licht (1) - Richard Foqué

Vier gedichten uit 'Een vermoeden van Licht'
(De bundel bestaat uit 4 cycli van telkens 12 gedichten: 1. De verloren tijd, 2. De instortende tijd, 3. De zoekende tijd, 4. De herwonnen tijd)


2. De instortende tijd


2.1


Teken de wereld in één lijn
teken haar met een pen
gedrenkt in bloed
tot de winter komt
de oorlog openbarst
in een wereld van was.

De dagen uitgeleefd
het daglicht verzegeld
tussen wraak en straf.
Verdriet nu is niet genoeg
vergeving teveel.
Schraap het bloed
vouw de lichamen
smoor het gejammer
in een plastic zak.

Maar laat de bloemen
laat de kaarsen rouwen
tot de morgen komt
als een bevroren icoon
in vijandige grond
in verkillende wind
in een wereld van was.


2.5


Nachten komen
nachten gaan
koud licht blijft.
Eeuwige getijden.

Uilen sterven
eenzaam in hun torens.
Vossen vluchten
uit hun burchten.
Vleermuizen vinden
niet langer hun grot.

Dit zijn de dagen
van instortende tijd.
De wolken te laag
om de zon te kwetsen.
Terwijl wij dwalen
door lege waters
ontkennen dat tijd
zich vergrijpt aan leven.


4. De herwonnen tijd


4.4


Het is vuur
dat van heuvels rolt.
Wij vallen in lichterlaaie.
Wij de kwetsbaren
verschrompelen tot onszelf.

Terwijl we verdwijnen
willen we blijven
het onafwendbare delen
de lege kamer met de nacht.
Willen we geven
wat er niet is
de wanen van de dag
de wolken
die door de ogen drijven.

Het is geen vluchten
het is verblijven
zich wikkelen
in de plooien
van een scharlaken vlam.


4.6


Maar telkens weer
dreigt begin
trilt een snaar
verschuift de grond
wordt een cirkel gesloten
kantelt een evenwicht
is er iets dat wil.

Een vaag geritsel
een vermoeden van licht
alsof stilte wil roepen
in de donkerte
alsof een vlies wil breken
het niets ontstaan.
Want zo is alle begin
het wacht.


© Richard Foqué



De voorgaande vier gedichten zijn een eerste voorpublicatie uit de bundel “Een vermoeden van licht” van Richard Foqué die in het najaar verschijnt bij Uitgeverij P te Leuven. De bundel zal worden voorgesteld op zaterdag 7 oktober 2017 om 20h00 in De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen. De dichter heet alle lezers van de Schaal van dighter nu al van harte welkom. Zeg niet dat we er niet vlug bij zijn!

Een tweede selectie uit het typoscript van de bundel wordt door de Schaal van Digther gepubliceerd in de maand september.






dinsdag 14 maart 2017

Het boekje van de dichter - Gaea Schoeters

























Goodbye to the #blackbook (ideas '15-'16). Was happy to see how many of the concepts in there were realised and how many ideas found their way into a novel, theatre piece, poem or story. Ideas and concepts still valid (&which I still like) have been copied into the #bluebook (2017-2018) for further thought. Now all we can do is hope that the #redbook agrees - because that measures time #agenda #schedule #fullofplansandthingstodo #writer // Daar zit nog stof in voor minstens twintig jaar schrijven. Romans, (muziek)theater, een opera (of 2 of 3), kinderboeken, kortverhalen en zelfs een nieuwe tv-reeks. Sorry jongens. Jullie zijn nog een tijdje niet van me af.

Bron: Gaea Schoeters op Instagram en Facebook (7 maart 2017)

www.gaeaschoeters.be

Alle "Boekjes van de dichter"

zondag 12 maart 2017

dezelfde kant - Anne Cockaerts

eerst dragen we woorden later de rest
blijf hier maar wachten zeg je hier
ik hoor hoe de mist het zicht beneemt

de weg ademt het kind van acht
dat we nooit hadden maar altijd tussen ons in loopt
wijst naar wat wij niet missen

ik wil alleen maar de hand van een vreemde
desnoods een geliefde om vast te houden
als dag op zich laat wachten

of pas komt als het te laat is



© Anne Cockaerts


vrijdag 10 maart 2017

Geuzentoren, Muziekbos - Wouter Rogiest

Geuzentoren, Muziekbos*


Aan mans verleden gaat een mierenhoop
van namen stil voorbij. En toch probeer ik,
boze mus, het hoogste woord wel eens
te voeren, leg ik een man als Pol de Mont
het vuur aan de schenen maar al te graag.

In de schoot van zijn Vlaamse Ardennen
rol ik me om in zijn recept.

Garneer met varens en amandel
al zijn verzen en droom weg.

En word ik wakker te midden van stenen
omdat geen muur oneindig houdt,
ik schenk ze aan de zotten weg
en hoop dat Ronse 't me vergeeft.



© Wouter Rogiest



* De 19e-eeuwse Geuzentoren bevindt zich in het Muziekbos, een uitgestrekt natuurgebied in de gemeente Ronse. Op een voorjaarsdag in 1888 werd deze toren beklommen door dichter Pol de Mont (1857 - 1931), die naar verluidt weinig bekend was met de streek. Geïnspireerd door het heuvelachtige landschap met zijn natuurpracht kreette hij tot zijn gezelschap: "Maar dat zijn hier de Vlaamse Ardennen". Hieraan dankt de streek haar naam. / “Aan mans verleden” en “varens en amandel” zijn anagrammen van “Vlaamse Ardennen”. "Ik, boze mus” is een anagram van "Muziekbos". / Het Muziekbos ligt op een viertal kilometer van de Grote Markt van Ronse, met in de onmiddellijke nabijheid de zogenaamde Zottenmuur.

Tot zondag 5 maart 2017 kon er in Domein Puyenbroeck poëtisch gewandeld worden. Bij de 25 gedichten van de wandeling was ook een gedicht van Wouter Rogiest. De gedichten konden gelezen én beluisterd worden, met de hulp van een app van Gentse app-ontwikkelaar OJOO.










donderdag 2 maart 2017

Bosdichter - Frans Deschoemaeker

Iemand van The Lappersfort Poets Society deelt mij mee dat hij een gedicht van mij gevonden heeft in een oud plakboek van zijn moeder. Hij vraagt mij toestemming om dat gedicht, waarin het woord bossen voorkomt, te publiceren op de website Poëziebos. Ik antwoord hem dat ik wel andere, en meer uitgesproken bosgedichten heb dan dat oude gedicht uit mijn debuutbundel Stroomafwaarts, waarin bossen slechts zijdelings ter sprake komen. Ik stuur hem een mooie bloemlezing van tien gedichten, en nodig hem uit daar zelf een gedicht uit te kiezen. Kiezen blijkt echter moeilijk, want mijn correspondent plaatst meteen de hele verzameling online. Met deze substantiële aanplant ben ik nu ook officieel bosdichter. En mijn gedichten staan daar goed, middenin het virtuele chlorofyl.

Dat oude plakboek bevatte de poëziekroniekjes die Jozef Deleu in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw schreef voor De Bond, het weekblad van de Bond van de Grote en Jonge Gezinnen, onder de titel Lees maar, er staat niet wat er staat. In aflevering 57 besprak hij uit mijn debuutbundel het gedicht Terugkeer in het landschap. Zelf bezit ik het knipsel ook nog, want ik werp, net als de mama van mijn correspondent, nooit iets weg, met het oog op de geschiedschrijving.

En ook om af en toe eens mijn gelijk te halen. Want zie; ooit vertrouwde ik in een interview de journaliste Sofie Rycken het volgende toe: we schrijven allemaal om een spoor na te laten. We schrijven niet voor de eeuwigheid, we schrijven voor de bibliotheken van de eeuwigheid. Of je vijftig jaar na je dood nog wordt herdrukt of niet is tamelijk irrelevant. Ooit zal wel weer iemand in een oude bibliotheek, hoog op een trapje, één van je boeken vinden. Ooit zal wel weer iemand in de laaglandse grensgebieden van de virtuele ruimte één van je gedichten zien oplichten. En misschien wordt die persoon wel getroffen door een flits van zijn waarheid die trilt in een van jouw stijlfiguren. Niets verdwijnt ooit helemaal. Niet dat je over de tongen loopt, maar je leidt een ondergronds leven. Ik ben er mij goed van bewust dat poëzie een minimaal gebeuren is.

Bibliotheken, webpagina’s, vergeelde jaargangen, oude plakboeken. Wat een werelden! Wat een brede adem over de uiterwaarden! Wat een groene, belommerde netwerken!



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

Extern:
Site Poëziebos
Tien bosgedichten van Frans Deschoemaeker (pdf-bestand)

woensdag 1 maart 2017

Twee redactie-kiekjes

Za 25/2/2017 - vlnr Paul Rigolle, Hugo Verstraeten en Frédéric Leroy
Za 25/2/2017 - Alain Delmotte en Herlinda Vekemans

maandag 27 februari 2017

'Warhoofds Gekkenwerk' voorgesteld

Zaterdag laatst werd 'Warhoofds gekkenwerk' de nieuwste dichtbundel van Digther-redacteur Alain Delmotte voorgesteld. In de Bib van Harelbeke beleefde een ruim
opgekomen gezelschap van poëzieminnaars een erg onderhoudende namiddag. Bibliothecaris Jan Van Herreweghe verwelkomde. Frank De Crits situeerde zijn vriend Delmotte in leven en werk. Bart Vonck interviewde. Alain Delmotte las en tot slot plaatste uitgever en dichter Ton van 't Hof de nieuwe bundel in het fijne perspectief van het Stanza-fonds. In het sterke, integere interview van Bart Vonck kwamen heel wat pregnante dingen aan bod. 'Warhoofd', zo zei Delmotte, zou geen snars begrijpen van het vroege werk van de dichter. De dichter plaatste met bravoure en, vertrekkend vanuit het plastisch werk van Luc Peire en Michel Seuphor, de poëtische begrippen 'verticaal' en 'horizontaal' tegenover elkaar. Ook Beckett en Buster Keaton gingen gretig met elkaar in de clinch. Net als A.D. (de dichter) met het personage 'Warhoofd'. Voorts zinderen van de namiddag nog wel meer mooie dingen door. We onthouden dat het (niet alleen voor dichters) “moeilijk is om met paradoxen te leven" en dat de slotsom in dit Warhoofdig tranendal vaak leidt tot de eeuwige vaststelling: "Nous sommes tous des poires". Mooie namiddag! Mooie nieuwe bundel! Kopen!

Hieronder enkele foto’s van de voorstelling. Meer foto’s, van de gelegenheidsfotografen Jan van meenen en Paul Rigolle, zijn bereikbaar via deze 'Digtherlijke' link op de Digther-Facebook-bladzijde.

Alain Delmotte, Warhoofds Gekkenwerk, 2017, Uitgeverij Stanza

(P.R.)

Frank De Crits leidt in
Alain Delmotte leest
Interview Bart Vonck - Alain Delmotte
Nog wat interview
Ton van 't Hof plaatst Warhoofd Gekkenwerk
Werk van Lucas Devriendt

vrijdag 24 februari 2017

Een dichter van de soort

Fijn toch om af en toe 's een oud en nog ongelezen interview terug te vinden... Het terugvinden van, het is en blijft één van dé discrete charmes van het internet...

(Vindplaats: Maria Foerier in gesprek met Ingmar Heytze op vrijdag 3 februari 2011)

woensdag 22 februari 2017

Funeral sentences - Alain Delmotte

Warhoofds eenzame uitvaart.

1.

Je had geen schijn van kans. En iedereen wist het. Je uitkering wees
aan hoe kwakkelig je eraan toe was.

Goden, die messentrekkers, hadden het zo voor jou voorzien, verdoken zich, hielden zich voor dood op de manier zoals dat in
sommige boeken staat beschreven.

Sterren voorspelden het. Statistieken berekenden netjes de
onontkoombaarheid.

Beleidsmakers keken er niet naar om: er zijn zaken van groter
belang.


2.

Je huisarts merkte het al vroeg aan je bloeddruk, je hoest en de onzin
die je bij de raadpleging uitkraamde.

De bankhouder merkte het aan je schulden.

De ambtenaar zag het aan je aangifte.

De deurwaarder begreep het meteen bij het aanschouwen van je
meubilair.

De flik herkende het onherroepelijk aan je smoel.

De kleine mensheid in je omgeving maakte er grappen over. De
kroegbaas vertelde het aan zijn klandizie door.

Je kompanen, dat zootje ongeregeld, die konden het slechts
vermoeden. Ze konden het moeilijk raden. Ze vonden er de woorden
niet voor, ze konden het niet, ze konden het niet kwijt.


3.

Zelfs wij, delvers van dienst, wij met onze koude kleren aan,
verzameld rond wat er van je rest. Wij vertonen beroepshalve hoe het
staat om te rouwen: geen van ons treurt.

4.

Iedereen wist het, makker: je had geen schijn van kans, niet de
minste.

Onweerlegbaar is de taaie aarde die je straks zal moeten doorslikken daarvan
het feitelijke bewijs.



© Alain Delmotte


Uit 'Warhoofds Gekkenwerk'. De bundel wordt op 25/2/2017 voorgesteld in de Bib van Harelbeke!

dinsdag 21 februari 2017

Verbeurdverklaring - Alain Delmotte

Warhoofd laat los en brengt in uitverkoop.


1.

Uitverkoop van menselijke trekken.

Kleverige massa’s aan herinneringen. Poses in alle maten en voor
elke gelegenheid.

Zonder doktersvoorschrift is waanzin vrij te verkrijgen: tot verfijnde
brandewijn gedistilleerd - een borrelglaasje volstaat voor finale
verslagenheid.

Als splinternieuw: iemands hypochondrie, tics en kwaaie uitspraken.

Retorische stijlfiguren, mentale struikelblokken, gedisciplineerde
assertiviteit: noem het - het staat al klaar.

Duurzaam, continu verkrijgbaar, want onuitputtelijk in voorraad:
fikse geuten boosaardigheid.


2.

Voor wie ernaar op zoek mocht zijn: van een handvol tirannen werden
in onze vrieskamers zaadcellen vergaard. Beschikbaar zijn eicellen
van zowel Medusa als Medea.

Wie in vitro een en ander weet te combineren: succes ermee.


3.

Het demonische genie van de cipier waarbij een extra hoort: het
dieventaaltje van de bankier.

Toch wel bijzonder, parel op de kroon: de stijfhoofdigheid van de
kettingroker.

Absoluut uniek, in promotie, zij het onbetaalbaar: de zeer zeldzame
strak gelooide ego’s van de eenzaat, de troglodiet en de sjamaan.

Erfenis van iemands dromen, waarachtig godsgeschenk: de as van
hoe ’s nachts de zon is – uitgeblust!


4.

Uitverkoop van de geestdrift.

(Helaas, het aanbod is op. Niets lichtzinnigs, beminnelijks of
argeloos meer. Zo leeg als het heelal zijn onze depots. We blijven in
de kou.

Toeval, sterrenstof en tijd waakten erover dat een paar Goden en hun
ingevingen hier nog wat zijn blijven hangen. Ze kunnen enkel in
bruikleen worden verkregen.

Hou er rekening mee dat ze zwijgen.)


5.

Uitverkoop van dichterlijke werken.

Woorden. Grote woorden, grote hopen woorden, hopeloos holle
woorden, hun prijs niet waard -

ze zingen niet.

Woorden. Laat het gelden als een verwittiging, als een dreiging: ze
hoesten, ze rochelen, ze roesten maar

ze bloeden niet.



© Alain Delmotte


Uit 'Warhoofds Gekkenwerk'. De bundel wordt op 25/2/2017 voorgesteld in de Bib van Harelbeke!

maandag 20 februari 2017

Zeg eens wonden - Alain Delmotte

Warhoofds vragen voor een interview met de wonden.

1.

Zeg eens wonden: pijn, is pijn jullie tot bezieling? Is pijn jullie
bewustzijn? Of zijn jullie het bewustzijn van pijn? Want, ja, hebben
jullie wel weet van jullie bestaan als wonden?

Indien zo: hoe ervaren jullie dit bestaan? Hoe ervaren jullie het
bestaan van wie jullie moet ondergaan?


2.

Klopt het wat wordt beweerd: dat stigma’s jullie wijze van
verwondering zijn? Is verschrikking jullie verantwoordelijkheid?

Hoe verantwoorden jullie dan die verschrikking?


3.

Is kermen en kreunen, jullie blijvend smeulen, een soort taal? Zijn
schrammen en japen jullie tot schrikdraad of spijkerschrift?


4.

Beschikken jullie over een wil of voeren jullie, op bevel van een zelf
verzonnen hogerhand, in het wilde weg uit?

Hopen jullie ook op roem en op een eeuwig leven? Is blijvend
smeulend jullie hoger doel?


5.

Vormen jullie eensgezind een welwillende gemeenschap van
kwaadwilligheid? Beconcurreren jullie elkaar? En willen jullie
allemaal de diepste zijn?

Planten jullie zich voort? Planten jullie zich in iemands kinderen voort?
Of zijn jullie wat iemand nalaat? Wat iemand van bij zijn aanvang erft?

Legt iemand jullie een limiet op? Of zoeken jullie al naargelang de
omstandigheden zelf de limiet uit? Of zijn jullie datgene wat in de
limiet is bereikt?


6.

Is liefde jullie vertrouwd en bekend? Is liefde jullie tot
mistroostigheid? Is zorg voor jullie behoefte of ontbering? Ontlopen
jullie troost? Loopt troost voor jullie niet op ontgoocheling uit? Op
minder pijn?

En zeg eens lieve wonden, lichtvoetigheid: welke bedreiging roept
lichtvoetigheid bij jullie op?



© Alain Delmotte


Uit 'Warhoofds Gekkenwerk'. De bundel wordt op 25/2/2017 voorgesteld in de Bib van Harelbeke!





zaterdag 18 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (4) - Alain Delmotte

9.

Van Julian Tuwim tot Adam Zagajewski (ik voeg daar nog vlug Ewa Lipska aan toe): de Poolse poëzie van de twintigste eeuw intrigeert me. Die van de eenentwingste eeuw zijn me helaas minder vertrouwd. Op een paar namen na.

Een van de meest vermaarde, naoorlogse dichters is Zbigniew Herbert (1924-1998). Hij ontving nooit de Nobelprijs hoewel hij die zeker verdiende. Toen Szymborska de hare ontving verklaarde ze dat die prijs eigenlijk Herbert toe kwam. Hij werd beroemd met o.m. zijn zeer scherpzinnige ‘Meneer Cogito’ - gedichten. Deze gedichten lokten mondiaal veel commentaren uit. Ik zal me hier beperken tot een vergelijking met Warhoofd, tot mijn eigen verhaal over Meneer Cogito.

Wat Meneer Cogito en Warhoofd gemeen hebben is dat beiden de werkelijkheid willens nillens moeten toelaten. Ze beschouwen dit als hun morele plicht – al vinden ze die werkelijkheid wezenlijk ontoelaatbaar. Bij Warhoofd neemt die werkelijkheid de vorm aan van het toeval, bij Meneer Cogito is die werkelijkheid de ‘feitelijke geschiedenis’. Herberts poëzie ontstond in een historische context die ik maar gemakshalve ‘het Communistische dictaat’ zal noemen.

Warhoofd en Meneer Cogito lijden onder de werkelijkheid maar verbijten dat lijden. Het lijden wordt verzacht met zelfironie. Een ironie die nooit de werkelijkheid ontkent – of een ironie die hen zonder meer terug naar de werkelijkheid brengt: er is geen ontkomen aan. In zekere zin zou je kunnen stellen dat beiden over een grote dosis moed beschikken, zonder daarbij heldhaftig te worden. Ze houden zich enkel koppig staande.

Dat Meneer Cogito overgevoelig is ligt voor de hand. In een gedicht hoort hij ‘glasscherven kreunen’. Van een scherp gehoor gesproken. Hij is stuurloos in de manier waarop hij zich richtingen bedenkt. Dat die richtingen zich kantje boord van de afgrond bevinden daar is hij zich bewust van en al even bewust dekt hij die afgrond keurig af.

Hij is minder stuurloos dan Warhoofd die struikelt, valt, rent en tegen muren en palen aanloopt. Meneer Cogito staat op twee benen maar gaat met die benen wankelend, wikkend en wegend door de wereld.

Warhoofd improviseert. Meneer Cogito (de naam zegt het zelf) denkt na. Het is duidelijk dat qua intelligentie Meneer Cogito de meerdere is van Warhoofd. Meneer Cogito zie ik eerder als een emeritus professor in de filosofie en/of de kunstgeschiedenis. Hij is een goede, oude Homo Universalis. Warhoofd is een modale middenvelder, lukraak op dwaaltocht in een tijd waar hij noppes van begrijpt. Of tenminste doet alsof hij er niets van begrijpt. Want onderschat hem niet: hij is even schattig als sluw.

Wil ik daarmee zeggen dat Meneer Cogito aan het conforme is aangepast? Nee, een aangepaste, een meeloper is hij in geen geval want hij denkt na in een context waar directief, autoritair en repressief vereist wordt dat men liever niet nadenkt – dat de Partij dat wel voor ons zal doen. De Partij geeft de grenzen aan en die zijn zeer nauw: strikt ideologisch en nimmer poëtisch. De maatschappelijke verordening luidt: ‘Gids niet, volg!’.

Meneer Cogito is een dissident. Zoals poëzie per definitie altijd een vorm van dissidentie is – al merken we dat niet meteen. De poëzie is dissident in de manier waarop ze staat voor haar anders zijn, het anders zijn.

De ‘Meneer Cogito’ - gedichten zijn beschouwend van aard. In die mate zelfs dat geleidelijk aan in het werk van Herbert ‘Meneer Cogito’ als personage wegvalt en er een ‘taalfiguur’ tevoorschijn komt. Daarmee bedoel ik dat Meneer Cogito staat voor een bepaalde denkwijze, voor een manier van zijn. Dat is wat Warhoofd ook voor mij aan het worden is: het nulpunt van waaruit zich mentaal een moeilijk te vatten of te omschrijven beweging – een gebaar - voltrekt.


10.

Ik kan me voorstellen dat wie bovenstaande heeft gelezen zich de vraag stelt of ik eigenlijk wel Nederlandstalige dichters lees. Natuurlijk doe ik dat. Het zou mijn boekenkast oneer aandoen, mocht ik dat ontkennen. Het is alleen in een ‘Warhoofd’ context dat ik in de Nederlandstalige poëzie niet meteen inspiraties, stimulansen of echte equivalenten heb gevonden.

Maar er zijn wel degelijk dichtwerken te vinden waarin een ‘personage’ ronddwaalt. Ik denk lukraak aan het geslaagde ‘De man van vroeger’ van Victor Schiferli, aan het al even geslaagde ‘Psilo’ van Luuk Gruwez (waar ik ooit uitgebreid over schreef) en ik merkte op facebook dat Norbert De Beule een reeks aan het schrijven is over ene ‘Meneer O’. Er zijn er meer. Bij één ervan sta ik stil en eindig ik deze ‘Warhoofd’- exploratie: Mevrouw Despina van Marjoleine de Vos.

De Vos is een vakbekwame dichter, die zich wat op de achtergrond houdt. Uitgeverij Van Oorschot publiceert haar werk en daarmee laat ze zich situeren in de traditie van parlando-dichters. Ze publiceerde vijf dichtbundels. In de eerste vier staan ‘Mevrouw Despina’- gedichten. In de voorlopig laatste bundel lijkt Mevrouw Despina weggedeemsterd. Mevrouw Despina ga ik niet karakterieel analyseren. Ik leg me toe op de blik waarmee ik deze gedichten lees.

Onlangs las ik in een boek een citaat van de Franse dichter Pierre Emmanuel (1916-1984): ‘Pour être poète, il faut d’abord être un homme’. Om een dichter te zijn, moet je eerst mens zijn. Ik vond het mooi klinken maar bij het overschrijven ervan vond ik het ergens tekortschieten. Is het niet ieders taak om als mens in de eerste plaats ‘mens’ te zijn? (Wat dus een zekere gradatie aan ‘medemenselijkheid’ impliceert. En daarmee loopt het vaak mis, met die medemenselijkheid. Ik vrees dat we als mens vaak te weinig mens zijn. Dat we als mens continu aan medemenselijkheid in gebreke blijven.)

Laten we het menszijn van de dichter even toetsen aan wat de specificiteit van de dichter is. Om het kort te houden: hij werkt met taal en als hij effectief mens en medemens is dan moeten we daarvan de weerslag vinden in de manier waarmee hij met taal omgaat. Die nuance vond ik niet terug in het citaat van Emmanuel: de dichter spreekt, een dichter moet in eerste instantie vanuit het menselijke spreken. De vraag die ik me daarbij stel (want het woord heb ik in deze tekst al vaker laten vallen): wat maakt in de kern die menselijkheid uit? Wat is menselijkheid, wat kenmerkt ‘menselijkheid’?

Wat mij betreft (het is niet meer dan een persoonlijke mening): de mens is een sterfelijk wezen, die zich van zijn sterfelijkheid schrijnend bewust is, hij lijdt aan kortstondigheid, hij lijdt aan de tijd. Daarom is hij fundamenteel kwetsbaar en daarvan vinden we een weerspiegeling in het gegeven poëzie terug: de taal van het gedicht is precair, is kwetsbaar, het gedicht is weinig weerbaar – het vraagt naar een lezer. Het gedicht is broos en in hoge mate hulpeloos. Het gedicht geeft vorm aan kwetsbaarheid.

Het gedicht toont zich vooral kwetsbaar in het feit dat de betekenissen erin kunnen uitdijen, voortdurend lijken gedichten wat ze niet zijn. Het gedicht biedt niet echt houvast: daarvoor getuigt het te veel van vluchtigheid, van inherente vergankelijkheid. Het is gedicht is een doorgang: Jammer, Jan, maar je kunt er niet in wonen tenzij als een dakloze.

Het gedicht duurt enkel de tijd van de woorden die in het gedicht elkaar opvolgen - zonder dat je er echt vat op kunt krijgen. Maar tegelijkertijd drukt die vluchtige verwoording, die poging tot verwoording een waardigheid uit. Poëzie is wat iemand aan waardigheid bezit. De poëzie brengt waardigheid in iemands leven.

De Vos noteert in een van haar gedichten: ’dit moet het leven zijn/of is het soms weer taal’. Ja, het is weer eens taal in het gedicht, niet meer dan dat, taal. Taal. Met zo’n uitspraak weten we waar een gedicht op uitkomt: op onuitwisbaar, maar waardig gedragen gemis.

Het is dit aspect dat mij in Mevrouw Despina aanspreekt: Despina is zo fragiel, zo menselijk – al is ze dan een hersenspinsel van De Vos, het is een menselijk hersenspinsel. Alle ‘Despina gedichten’ zijn doordrenkt met een aquarelachtige melancholie. De gedichten verliezen hun speelsheid niet, hellen nooit naar zwaarmoedige pathos over, klinken nooit overmoedig. In die zin is Mevrouw Despina op haar manier levenslustiger dan Warhoofd, ze is minder grimmig, minder met schuldgevoel beladen. En ze wordt minder door toeval belazerd.

Beiden voelen zich wel benauwd in het bedreigend besef dat de hun gegunde tijd zichzelf genadeloos aan het aftellen is. De tijd is nu, zoals men zegt, maar op een keer is de tijd nooit meer, is de tijd er nooit meer.


© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!



vrijdag 17 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (3) - Alain Delmotte

7.

De wereld die zich in Gekkenwerk laat zien is niet rooskleurig. Een zwarte zon schijnt erin door: het laatste woord neemt melancholie er op de lippen. Warhoofd is als een eenentwintigste-eeuwse Pierrot.

De melancholicus is iemand die in zijn hoofd almaar de klok hoort tikken -dat tikken is aftikken. Tenminste dat denkt hij. Het is in werkelijkheid veel erger, veel scherper. Wat hij waarneemt is het openklikken van een knipmes. Tijd tikt immers niet, tijd snijdt.

Is dit ernst? Moeten we de wereld zo ervaren? Of wordt het met opzet dik aangezet? Het ligt daar ergens tussenin: een plek die ironie wordt genoemd. Een pijnplek. Zo’n visie wordt doorgaans als pessimistisch gecatalogeerd. Dat is geen rekening houden met een gamma aan nuances. Maar, goed ja, laat het hierin kloppen: de Warhoofdteksten ‘spelen’ pessimisme uit. Maar het betreft een ‘literair’ pessimisme onder meer gestoeld op het werk van enkele Franse moralisten en het werk van de controversiële filosoof Clément Rosset (die op zijn beurt door de weinig opbeurende Schopenhauer is beïnvloed). Voor Rosset heeft de werkelijkheid – le réel – geen enkele betekenis. Wie haar interpreteert, wekt illusies op, ontdubbelt het reële en schept een schijnmanoeuvre die op een vlucht uit het reële lijkt. Volgens Rosset is er niets buiten het ongevormde van het reële om: het is wat het is en er is niets meer. (Het beeld van Rosset houd ik bewust schetsmatig: het is complexer dan wat er hier staat genoteerd.) In het afsluitende gedicht van de bundel ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’ fluistert Rosset zachtjes mee.

Ter illustratie, een prozagedicht van Baudelaire. Het magnifieke ‘La chambre double’. Het gedicht vertoont een structuur die in andere prozagedichten van Baudelaire is terug te vinden en die voor Suzanne Bernard (die een merkwaardige studie over het prozagedicht schreef) de existentiële kern voor het ontstaan en de ontwikkeling van het prozagedicht betekent.

In de eerste helft van het gedicht wordt een kamer beschreven waarin we de bekende ingrediënten van het Baudelairiaanse exotisme terug vinden: ‘luxe, calme et volupté’ – een tijdloze ruimte. Plots wordt er op de deur geklopt: ‘le réel’ doet zijn intrede - het signaal om terug te vallen in de tijd. Er volgt opnieuw een beschrijving van de kamer. Dit keer als een compleet verloederd vertrek afgeschilderd. Het is die klop op deur die interessant is: de tekst keert zich hier binnenste buiten om. Een breekpunt, een ruptuur. Een San Andreasbreuk. Een pijnplek. De onvermijdelijke kater na de fata morgana van de verrukking. Er zijn teksten die een klop op deur van het huis waar de lezer verblijft willen zijn.

Warhoofds gekkenwerk brengt geen positieve boodschap. Dit is een strategische betrachting: de nek breken van de positieve boodschappen, de politieke begoochelingen waarmee men ons zonder ophouden om de oren slaat. De gezwollen sensaties. Het spektakel. De flauwe kul. Warhoofd klaagt dit allemaal aan. De naïeveling.

Verder moet ik toegeven dat er au fond niets op illusies is aan te merken. Wie staat zich dagdromen niet toe? Wel in het besef dat het dagdromen zijn. Zoiets als het roken van een pakje sigaretten: ze gaan na een paar trekken in rook op en ze worden vergeten.

Illusies lokken een creatieve dynamiek uit: hun baarmoeder is het verlangen. Verlangen opschorten. Wie heeft daar zin in? Op wat Boeddhisten na. De malheuren die verlangen meedraagt, nemen we er maar bij. Verlangen bezorgt pessimisme een lichtvoetige tred en richting. Er bestaat vooral zoiets als schrijfgenot bij het optekenen van zwartgalligheid: in de sardonische hyperbool ervan.

8.

In deze tekst heb ik tussen de regels enkele keren Henri Michaux (1899-1984) geëvoceerd. Onder meer waar ik het had over het ‘ik’ dat tot ikjes is geïmplodeerd. Bij Michaux worden die ikjes zowel imaginaire bestemmingen als concrete stemmen. Bestemmingen worden doorzocht. Stemmen resoneren. Michaux waagt zich met een zo groot mogelijke ongeremdheid aan een sprong in zijn binnenste kern(en). Hij beukt er zich ritmisch en met alle haast in. Daarbij doorbreekt hij de muren van onze beschaving. Beschaving is voor hem een doodlopende straat. Het verleent zijn werk iets recalcitrant. Maar dit gebeurt op een introverte manier. Michaux is geen oproerkraaier: hij houdt het onderhuids – binnen de plooien.

Ik had het over Michaux als ik het had over vertakte structuren. Ik benoemde het zo om het woord ‘rizoom’ te ontwijken – een term waarmee zijn werk meer dan eens wordt omschreven. Ik had het over de ‘plooien’, want het is vanuit die plooien dat Michaux en zijn ramificaties het woord nemen. In het werk van Michaux bevinden we ons in een innerlijke ruimte en die levert ons een spectrum aan quasi oneindige en meer dan eens verbluffende percepties en perspectieven, lucide weerspiegelingen, kat- en muisspelletjes: van het mythische tot het mystieke, van het spirituele naar het psychedelische, van gedisciplineerde zelfobservatie tot de meest tomeloze zelfbezwering: Michaux laat niets onbenut en doet dat met lef. Michaux kan en mag je daarom niet aan iets vastpinnen. Hij is niet vast te grijpen. Michaux is veelzijdig en in veelzijdigheid raakt zijn werk niet uitgeput. Zijn inventiviteit blijft verrassen.

‘Plume’ is wellicht bij het grote publiek het bekendste werk van Michaux. Ik las het al heel vroeg in de Nederlandse vertaling van Laurens Vancrevel. Zoals ik het toen las, lees ik het al lang niet meer. Bij de eerste lectuur moest ik heel hard lachen. Mijn lachen onderging een metamorfose: bij het herlezen (en dat deed ik al tientallen keren) lach ik thans groen en altijd maar groener. De humor van Michaux is bittere ernst. Waar ik lange tijd overheen heb gelezen, was het gewelddadige karakter van deze teksten. Tot het morbide toe zoals – in wat ik beschouw als het meesterstuk uit de reeks – ‘La nuit des Bulgares’.

En hierin ligt het verschil tussen Plume en Warhoofd. Want Warhoofd is een hommage en geen kloon van Plume. Plume gedraagt zich in ‘La nuit des Bulgares’ als een crimineel. Warhoofd blijft de onschuld zelf: hij doet geen vlieg kwaad maar de vliegen hem des te meer. Plume gedraagt zich keurig, gevoelloos en onverschillig. Warhoofd is één en al betrokkenheid met wat hem omringt en ziet in zijn slordigheid nergens de potentiële vijandigheid van in. Wat hen wel dichter bij elkaar brengt is hun overgave aan het accidentele. In het geval van Plume is dat heel wat extremer en onvoorspelbaarder dan bij Warhoofd. Plume is als mens een onding, een speelding.

Plume: zoals kinderen al blazend lange tijd het vallen van een pluim op de grond willen tegenhouden en daarbij kirrend veel plezier aan hebben, zo stel ik me voor dat Michaux deze teksten heeft geschreven. Michaux bekende zelf dat hij bij het schrijven van deze teksten zich echt een schrijver had gevoeld. Merkwaardig voor een man die schrijven per definitie verdacht vond. Ik kan het daarom niet laten om voor mezelf deze teksten als allegorieën – of zo men wilt – als metateksten te lezen, voorstellingen van de mentale bewegingen die het schrijven uitlokt. Want ‘Plume’ betekent niet alleen ‘pluim’. Het betekent ook ‘pen’.


© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!




donderdag 16 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (2) - Alain Delmotte

4.

Eerst even duidelijk stellen dat ik met deze teksten niet bedoeling heb om mijn eigen teksten te ontsluiten. Nee, ik weet niet eens of ze helemaal te ontsluiten zijn en of ze wel hoeven ontsloten te worden. Ik laat het aan de lezer over. Al adviseer ik dat men ze best laat zoals ze zijn. Ik citeerde overigens nog geen enkele letter uit de bundel. Ik probeer enkel mijn teksten op een zo speels mogelijk manier te situeren. Ik probeer hooguit mijn persoonlijk poëtisch denk- en gevoelskader (die bij de bundel hoort) aan te wijzen. Ik probeer ze straks te liëren aan een bepaalde poëtische traditie. Maar eerst wat volgt.

Welke elementen scheppen Warhoofd tot een typetje om? Wat maakt hem tot een ‘karakter’? Ik geef drie elementen aan. Drie elementen van warhoofdigheid. Ze staan in causaal verband met elkaar en vormen op die manier een vicieuze cirkel: overgevoeligheid, stuurloosheid, onaangepastheid. Ik onderneem een poging om die elementen enigszins te omschrijven.

Ik begin met ‘overgevoeligheid’. Hiervoor introduceer ik de grote Franse dichter André Du Bouchet (1924-2001). Een aantal uitspraken van hem maken duidelijk wat ik met ‘overgevoeligheid’ bedoel. Enkele maanden voor zijn dood bekende Du Bouchet in een gesprek met Daniel Quillaume dat hij ooit eens de film ‘Nostalgia’ van Tarkovksy was gaan bekijken maar dat hij halfweg was opgestapt - omdat hij het te mooi vond. De verklaring die hij ervoor heeft is dat hij de film niet als een esthetisch object kon benaderen. Hij voelde er zich er te sterk bij betrokken. Het sloot te dicht bij zijn eigen leven aan.

Dat bedoel ik met overgevoeligheid: blijk geven van een niet te doseren empathie voor wat ons omringt – mensen, dingen, feiten. Die overgevoeligheid lezen we overigens af in zijn tactiele manier waarop Du Bouchet met de syntaxis omgaat in zijn poëzie. Hij combineert sensibiliteit, intelligentie, fijnzinnige, zintuiglijke geslepen intuïtie en linguïstisch inzicht: het bepaalt de kern van zijn wel erg singuliere schriftuur.

Ik herinner me levendig een notitie van hem – al vond ik die niet meteen terug. Het kwam op het volgende neer: dat het kijken naar de wolken hem verhinderd had om ooit een echt beroep uit te oefenen. Helemaal Warhoofd!

Kijken naar wolken: het maakt iemand afhankelijk van de windrichtingen. Van efemeriden. Het lezen van een weerbericht voor zo iemand moet extreem ontroerend zijn. Voor Warhoofd is een ongerepte blauwe lucht één en al ellende. Ook bij Baudelaire vinden we wolken terug. In het openingsgedicht van Le spleen de Paris. Là-bas, là-bas zegt hij en het is die weg die hij volgt. Wie de weg van de wolken volgt, die draait waarschijnlijk maar wat rondjes. Dat maakt duizelig. Valt er in die duizeligheid poëzie te rapen? Want tussen kijken naar de wolken of het lezen en schrijven van poëzie is geen wezenlijk verschil, als je het mij vraagt. Even dwaas en even zinvol.

Overgevoeligheid: is het van daaruit dat poëzie opdaagt, een ruptuur in de taal? De taal die niet als een politiek, manipulatief instrument wordt ‘misbruikt’. Maar een taal die vanuit het besef van de kwetsbaarheid van de taal zo optimaal mogelijke wordt ‘gebruikt’, dat het lijkt alsof die taal niet zou bestaan – een taal die nog moet ontstaan, die moet leren uitgesproken worden. Een taal die zichzelf nog moet ontdekken: die van iedereen, voor iedereen. Parler la langue comme si elle n’existait pas. Dixit Du Bouchet.

5.

Stuurloosheid. Daar komt het op uit voor wie gekozen heeft om de weg van de wolken te gaan (als hij er al voor gekozen zou hebben). Voor wie zich liever door een barometer dan door een kompas laat oriënteren. Is dat niet om moeilijkheden vragen? Wie zo leeft, die leeft op goed geluk maar of dat geluk brengt, zou ik graag bewezen willen zien.

Het kernprobleem van iemand als Warhoofd is dat hij het detail van de hoofdzaak nauwelijks kan onderscheiden en daarom niet in staat is zijn eigen leven efficiënt d.w.z. naar de ‘norm’ te organiseren. Niet uit onwil en/of onwetendheid maar uit wat hij zelf waarschijnlijk zou aanwijzen als ‘existentiële overmacht’. Hij waait met tegenzin met de wind mee: niet uit opportunisme maar uit verbouwereerdheid. Zijn aangeboren argeloosheid speelt hem parten: hij laat zich domweg van alles dicteren en laat zich door het toeval leiden.

Hij beseft te weinig of te laat dat het toeval een compleet amorf gegeven is. Het misverstand is één van de bronnen van het toeval. Alles begint met een misverstand zoals dat in komische films vaak het geval is. Misverstand legt het lont aan het lopend vuur van het toeval. En als Warhoofd eigenlijk beseft waar hij aan toe is, zet hij het op een lopen, lopen, lopen. Maar toeval is venijnig, toeval haalt hem op zijn gemakjes in. En zie: Warhoofd krijgt van het toeval een roomtaart in het gezicht geduwd. Melancholie biedt hem straks wel troost.

Wat mij in Warhoofd stoort, stoort me ook in Vladimir en Estragon, die twee, weliswaar sympathieke sjofele schooiers uit Beckett ’s ‘On attentaat Godot’: ze ondernemen niets, ze rebelleren niet. Ze blijven ter plekke aanmodderen en rondstruinen. Ze kibbelen, praten langs elkaar heen, worden bij momenten bevangen en verlamd door schrik: schrik dat Godot zou komen, schrik dat Godot niet zou komen. Niets is goed, dus. Ze houden het bij zelfmedelijden en wat eenzaamheid. Stuurloos zoals ze zijn wachten ze, wachten op wat ze weten dat nooit zal gebeuren: dat wachten is uitstel, een dwaze smoes. Het onherroepelijke vermijden ze er niet mee.

Onder het stoïcijnse masker van Warhoofd schuilt masochistisch defaitisme. Hij doorstaat, ondergaat, geeft zich over. Hij doet geen enkele poging om wat hem overkomt te duiden of te begrijpen. Of te bevechten. Zo stuurloos is hij. Maar ontredderd is hij niet: hij houdt het in mijn gedichten merkwaardig vol. Hij staat nu al loyaal paraat voor het volgende gedicht waarin ik hem zal oproepen. Hij kijkt uit naar het signaal waarop hij zal moeten verschijnen. Gewillige prooi voor wat ik hem zal laten overkomen: tot zover taal me het zal toestaan.

Op de cover van de bundel staat een schilderwerk van Lucas Devriendt, een zelfportret, dat deel uitmaakt van een reeks van zes (die elk op zich geraffineerde variaties zijn op het afgebeelde hoofd dat precies op het punt staat te worden onthalsd). De cyclus kreeg de titel ‘Je me rends’ mee. Ik koos dit werk niet omwille van die titel uit, maar omwille van het beeld dat ik expressief, confronterend en genadeloos vond. En dat bloedrode rood maakt het werk krachtig en hard. Maar de titel correspondeert uitstekend met het karakter van Warhoofd: ‘il endure et il se rend’ zou hier de passende parafrase kunnen zijn. De koppeling met de titel is wat je kunt noemen een gelukkig toeval. Het soort toeval dat ik Warhoofd nooit zal gunnen.

6.

Onaangepastheid. Welke maatschappelijke rol is er weggelegd voor iemand die zich (in al zijn overgevoeligheid) door misverstand opgewekt toeval laat gidsen? Wat moet het bestel met iemand voor wie ondernemen, niets ondernemen is? Waaraan beginnen met wie helemaal niet in staat is een rol op zich te nemen waarbij ordentelijkheid en voluntarisme verwacht wordt? Wat moet je met iemand die achter elke structuur, elke stelregel, elke eis tot meetbaarheid uitsluitend de chaos, het zinledige, het onberekenbare ervan weet te ontwaren? Wat met wie het hem omringende continu te hoog gegrepen lijkt en die in geldelijk gewin het laconieke failliet doorziet? Met zo iemand vang je niets aan!

Nee, niet dat zo iemand verantwoordelijkheid ontloopt: hij is bereid tot een constructieve opstelling, zelfs compleet vrij van eigenbelang. Hij blijft vriendelijk, heeft met een groot hart oor voor anderen. Een rol op zich nemen? Hij wil niets liever: maar het klikt niet, de assimilatie blijft ergens vastzitten. Wat hij ook uitprobeert: hij glipt uit, valt met de neus op de grond van onbarmhartige feiten. De weg wordt versperd. Dat voortdurend falen zorgt ervoor dat de verwachte sociale coderingen zich op de duur gaan ontregelen. Dan wordt zo iemand gevaarlijk. Dan zitten ordehandhavers hem op de hielen. Nee, voor Warhoofden als die van mij is er nergens plaats. In de film ‘Mon oncle’ van Jacques Tati wordt Monsieur Hulot op het vliegtuig geplaatst. Ongepast, onaangepast, onhandelbaar. Weg ermee. In zeer harde politieke lijn vertaald: uitgerangeerd, niet te recupereren. Marginalisatie, collocatie. Nacht und Nebel.

Vanuit de stelling dat Warhoofd het gedicht zelf zou zijn, hoe zit het dan maatschappelijk met het gedicht, de poëzie? Hoewel ik enorm veel sympathie voor hem koester, citeer ik iets van Sartre dat helemaal in zijn nadeel uitvalt. Hij schreef: ‘Les poètes sont des hommes qui refusent d’utiliser le langage.’ Dichters weigeren de taal te gebruiken. Hoe is het mogelijk dat een man die perfect weet had over hoe vooroordelen in hun werk gaan, hoe diep die kunnen kerven, die een scherp zicht op het repressieve karakter van ‘een maatschappelijk rol’ had, zoiets heeft kunnen aanvoeren? Wat onderliggend verwoord wordt is namelijk iets wat ik al jaren moet aanhoren: ‘praat nu eens normaal en vooral verstaanbaar: stel je niet zo aan, dichter!’

De uitspraak van Sartre past perfect dat meedogenloze vooroordeel in verband met poëzie in. Het is het tegendeel. Een dichter wil nu net in haar volheid gebruik maken van taal. Haar in al haar facetten benaderen – zonder haar te corrumperen. Natuurlijk krijg je dan geen conforme taal. Maar een taal die afwijkt van het lopende (politieke, economische) discours, het ons stapsgewijze, fijntjes opgelegde, onze hersenschors binnendringende jargon. Wat er mis is met dat taaltje? Dat het uitkomt op het reductionistische, dat het gedachtegangen vernauwt tot schijnbare generalisaties.

Het gedicht heeft geen rol te vervullen: in zijn extremiteit weigert het overigens elke vorm van rol. Dat is en blijft het subversieve aan de poëzie. Los van elke poëtica, is het dat wat volgens mij poëzie uitdraagt en wat er ons in uitdaagt. De poëzie nodigt uit om naar een taal te zoeken, een taal te beleven die ‘anders’ is. Zij claimt het anders zijn. Zij claimt het singuliere. Daarmee wordt het menselijke haar prioriteit. Het is aan de lezer om dat subversieve al dan niet te ontdekken en uit te maken hoe hij het tot zich neemt of niet neemt.

Nee, voorlopig worden dichters in onze democratieën niet weggevoerd. Ze hebben een beetje recht op een statuutje. Ze moeten wel flink blijven. Op vraag mogen ze hier en daar wel eens wat ‘performen’. Let wel: zonder daarbij te overdrijven – zoals Artaud indertijd. Ach, op die manier blijven onze dichters koest en, als je het mij vraagt, ook wat monddood.


© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!



woensdag 15 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (1) - Alain Delmotte


1.


Weldra verschijnt van mij een nieuwe dichtbundel bij uitgeverij Stanza die ik de titel ‘Warhoofds gekkenwerk’ meegaf. In 2001 gaf ik al een bundel uit met de titel ‘Warhoofd’. In mijn vorige bundel ‘Uit de lucht gegrepen’ (2013) duikt hij weer op. Maar in de bundel ‘Voorstander zijn’ (2008) is hij ook aanwezig - impliciet, stilzwijgend en anoniem. Herken hem aan de blauwtjes die hij in die bundel oploopt.

Wie of wat is Warhoofd? Een alter ego? Een fictief personage, met de allures van een antiheld? Of een allegorie? Hij (ik spreek hem dan toch maar als een ‘hij’ aan) vertoont trekken van alle drie.

Als alter ego heb ik hem met hyperbolische zelfspot laten vollopen: onhandig, verstrooid, klungelig en zich vaak versprekend. Op die manier gelijkt hij dus een beetje op iedereen. Zou het niet? Elckerlyc. Everyman. Monsieur tout le monde.

Als personage is hij zowel een geboren komiek als een bitsige, boosaardige sarcast. Hij vermomt zich graag: zijn ware aard kom je niet te weten, hij geeft zich niet te kennen en doet zich dommer voor dan hij in werkelijkheid is. Of zou kunnen zijn. Hij weet het best wel: hij is een loser en komt daar openlijk voor uit. Het ‘ik’ is hem loodzwaar: een door te prikken leugen.

Als allegorie weet ik zelf niet goed voor wat hij zou moeten staan. Hij baant zich een weg door de woorden (die hem au fond weinig toestaan). Hij loopt, hij rent. Om dan, ja, om dan waar aan te komen? Hij beseft het niet maar hij komt nooit ergens aan, want waarschijnlijk is het ook niet de bedoeling dat ik hem ergens laat aankomen. To make and end is to make a beginning. Als warhoofd komt hij altijd weer bij het beginpunt uit en is overtuigd dat hij nu een paar stappen verder staat dan daarnet. De status quo is voor hem een grote vooruitgang. Lijkt dit niet zoals in het echte leven?

Als filosofische geaarde allegorie vraagt Warhoofd vraagt zich voortdurend af of dat zou bestaan, het echte leven? Heel terecht overigens wat hij is een verzinsel. Een hersenskronkel waar niet meteen kop of staart aan is te krijgen. Om het woordspelig te houden: hij bestaat enkel als taalfiguur waarin zich allerlei literaire, culturele en existentiële reminiscenties hebben opgehoopt. Over die reminiscenties wil ik het thans hebben.

Maar vooreerst stel ik me de vraag wat het nut is om vandaag nog poëzie te publiceren? Is het literaire ambitie of gewoon ‘ambitie’? Is het een kwestie om bij de bent te willen behoren? Een vorm van hoogmoed? Is het ijdelheid? Huilen om wat aandacht? En tja, waarom poëzie publiceren in een tijdperk waarin ‘niemand nog poëzie leest’? Ik hoorde die vragen – met hun onderliggend scepsis en spot - al ontelbare keren aan. In die mate zelfs dat die (retorische) vragen mij irriteren. Ik probeerde die in 2015 te beantwoorden (of te weerleggen) in een tekst - ‘De queeste naar de lezer’ - die op de blog ‘De schaal van Dighter’ werd gepubliceerd en later in het tijdschrift ‘Gierik’ in vier verschillende afleveringen. Maar op die weinig relevante vragen zijn gewoon geen sluitende antwoorden te geven. Alles wat met poëzie te maken heeft is subtiel gelaagd.

Neem nu de stelling: ‘niemand leest nog poëzie’. Tja, ik schreef het al eerder: met hoeveel lezers moet je zijn eer die ‘niemand’ een ‘iemand’ wordt? De moeilijkheid is dat poëzie zich richt tot ‘een lezer’ en niet tot een zo groot mogelijke, statistische doelgroep. Het is bekend, ik vertel niet nieuws: met dat gegeven past poëzie niet in een economisch systeem dat is gebaseerd op vraag en aanbod (en dus op verkopen en dus op winst). Poëzie consumeer je niet, je moet het lezen, herlezen en blijven herlezen. Het is mijn mantra, ik weet het.

Maar dan blijft de vraag: waarom publiceren? In de correspondentie tussen André Breton en zijn mecenas Jacques Doucet las ik het volgende: ‘Je me flatte à mon tour de ne pas être pour rien dans le fait qu’aujourdhui plusieurs jeunes gens qui écrivent ne se connaissent plus la moindre ambition litteraire’ “On publie, a dit Tzara, pour chercher des hommes” et rien de plus.’

Ik parafraseer. In dit citaat stelt Breton dat hij behoort tot een generatie schrijvers die geen literaire ambities meer hebben. Hij citeert Tzara die stelde dat hij publiceert om mensen te zoeken. En niet meer dan dat.

Los van het feit of ik betwijfel dat Breton geen literaire ambities had, kan ik me volledig terugvinden in het gegeven dat je publiceert om 'mensen' te zoeken. Dat poëzie een manier is om met de taal een lezer een hand aan te reiken (dixit Paul Celan). Een ijdele zucht naar erkenning valt natuurlijk nooit uit te sluiten maar de essentie is het niet.

De poëzie is voor mij een kwestie om zich existentieel staande te houden: loyaal blijven aan zijn menselijke waardigheid, het opnemen voor die waardigheid door met de lezer, met een gelijke, een dialoog aan te gaan.

Het is een thema in ‘Warhoofds gekkenwerk’ – die menselijke waardigheid. Ik kom er nog op terug. Waardigheid als gekkenwerk. Het grote gekkenwerk tegen het lijden: want waardigheid lijkt in deze wereld wel eens ver te zoeken.


2.


Al van kindsbeen af houd ik van filmkomieken. Sommige typetjes die in die films verschijnen, schemeren in Warhoofd door. Uiteraard vind ik Chaplin, één van de grootste. Maar Buster Keaton en Jacques Tati vind ik even onweerstaanbaar.

De komische cinema uit de jaren twintig heeft veel auteurs geïnspireerd. Henri Michaux, bijvoorbeeld. Onder meer in één van zijn vroegste geschriften:’Notre frère Charlie’ – die voorloopt op wat ‘Plume’ zal worden, waarbij ik later nog stil zal staan. Michaux zag in Chaplin de transfiguratie van ‘de moderne ziel’: het simpele, het primitieve, het anti-romantische, het gevoelloze, het anarchistische en zelfs het psychoanalytische. Dat geldt voor heel wat komieken uit de die tijd. Ik voeg daaraan toe: de agitatie, het over-beweeglijke en het iconoclastische. In die wereld stralen alledaagse toestanden of objecten een vijandigheid uit – het sterkst laat dit zich voelen bij Tati. Alles is aanleiding tot misverstand. Natuurlijk is er altijd wel een happy end in de maak. Maar wie gelooft daar nu in?

Hoezeer hij Chaplin bewonderde, zijn biograaf Jean-Pierre Martin vindt dat Michaux meer op Buster Keaton geleek. Wat mij bij de inventieve Keaton intrigeert is datgene waarmee hij beroemd is geworden: zijn strakke gezicht. Hij lacht nooit. Gezichtsmimiek blijft voor een groot deel uit: alleen zijn ogen vertellen wel eens wat. Wat de indrukt wekt dat hij bij al de calamiteiten die hem overkomen doordacht stoïcijns blijft. En een tikkeltje melancholisch. Dat laatste vind ik ook bij Tati terug.

Er is een film van Keaton waarin hij achtervolgd wordt door een meute hysterische dames. Hij loopt, loopt, loopt - zoals heel vaak in zijn films. Op een bepaald moment rent hij een helling af. Rotsblokken komen los, keren zich tegen hem en Keaton komt terecht in een soort kegelspel. En zoals altijd geeft hij geen kick. Hij panikeert niet en ontwijkt op een acrobatische manier de rotsblokken: laat maar komen, lijkt hij te zeggen. De scene is even grappig als hallucinant. Meer een nachtmerrie dan een klucht.

Ik kan niet het laten: ik koppel er een mensbeeld aan. Om het nu eens zwaarwichtig te zeggen: de mens die tot prooi van de contingentie wordt. Het roept de wereld van Samuel Beckett in mij op, die trouwens een fan was van Keaton. Hij had voor de Amerikaanse première van ‘Godot’ Keaton gevraagd om de rol van Lucky te spelen. Keaton weigerde maar was later wel bereid om een rol te spelen in de enige film die Beckett maakte, ‘Film’. Wat las Beckett uit het onbewogen gezicht van Buster af? Iets metafysisch? Misschien. Ik betwijfel evenwel of Keaton iets meer wou dan enkel grappig zijn. Warhoofd gaf ik dat stoïcijnse van Keaton mee en van Tati erfde hij het klungelige. Van beiden kreeg hij de melancholie in bruikleen mee: die heeft hij wel zeer uitvergroot.

Begint Warhoofd nu niet wat meer concrete trekken te krijgen, lezer?


3.


Een hele tijd geleden ben ik opgehouden met in versvorm te schrijven. In een lange tekst verschenen op De schaal van Dighter heb ik mij daarover uitgebreid gemotiveerd. Ik ga hier nu niet van alles herhalen. Behalve dat de overstap van vers naar prozagedicht een beweging impliceerde die het verticale naar het horizontale omboog. Dat had ook zijn effect op wat in het gedicht als subject, als ‘ik’ wordt gepostuleerd. Van een absoluut, narcistisch ‘ik’ - het ik als korset - naar een ‘ik’ in de breedte dat een amalgaam van ikjes is. Van een rigide, alle plaats opeisend ‘ik‘ naar een ‘ik’ van gedifferentieerde, te exploreren mogelijkheden. Om het poëtischer te zeggen: een ik dat uit een veelheid van stemmen bestaat, een veelheid stemmen beslaat. Een ‘ik’ dat zich opsplitst, vertakt, buitelingen maakt. Een ‘ik’ dat je niet als je ‘ik’ herkent – maar het is wel degelijk één van je ikjes.

Zijn al die ‘ikken’ eigenhandige constructies – zoals dat in de hedendaagse kritiek wel eens geduid wordt? Nee, daarvoor zijn die ‘ikken’ met te veel. Ik zie ze echt wel als deel uitmakend van een constitutie van een globaal ‘ik’- die uit zowel positieve als negatieve (levens)ervaringen procesmatig gevormd en duurzaam gekneed werd.

Warhoofd is een catalogus vol ikken. Geen alter ego, maar alter ego’s. Ontdubbelingen. Afsplitsingen. Ik noemde hem al een verzinsel maar dat is maar een halve waarheid: als verzinsel slaat hij wegen in die ik helemaal niet voorzien had. Het is noch Warhoofd noch ‘ik’ die daarvoor verantwoordelijk zijn maar het is eerder de taal waarin Warhoofd en ik elkaar ontmoeten die de teugels in handen neemt, de vleugels openspert. Vandaar dat ik Warhoofd als een taalfiguur omschreef. Warhoofd bestaat alleen maar uit een keten van soms onverwachte woord- en zinassociaties die ik rustig à la Francis Ponge in aanbouw hou. Warhoofd is het gedicht zelf, zo zou je kunnen stellen.

De meest abjecte versregel in het Nederlands is er één van Willem Kloos. Iedereen kent die. Alsof hij nog van toepassing zou zijn? ‘Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’. Tja, als je dat poneert dan krijg je vlug gedichten die een jutezak vol lood op hun rug moeten dragen: de woorden kreunen, hoesten en rochelen. De lezer zucht en snakt naar frisse lucht: al die smurrie aan ik, dat kan benauwen.

Maar wat Wiel Kusters ooit beweerde ‘dat het ik een woord als een ander in een gedicht is’ lijkt mij ook niet echt de gulden middenweg. Het ‘ik’ dat zonder invulling blijft. Een zwart gat. De dood van het subject is helemaal mijn ding niet. Ik pleit voor minder ik, dat wel, voor een terughoudend en milder ik: het ik van een gewone sterveling, herkenbaar aan zijn banaliteit. De Goden en alle chimères die daarbij hoorden werden opgeblazen (maar blijkbaar nooit ofte nimmer voldoende). Wat er ons van die Goden en dat ik overblijft is precair. Is verbeurd verklaard.

Het woord ‘ik’ komt niet meer voor in mijn teksten. Tenzij als er iemand woorden in de mond worden gelegd. Als prosopopeia. Een ‘jij’ (of een ‘hij’) kwam in de plaats en ruimde heel wat op. Toen ik voor het eerst het woordje ‘ik’ schrapte en verving door een jij, was dat voor mij zeer verrassend. Het was alsof ik werd open geplooid, dat ik niet meer per se een ‘ik’ in het gedicht hoefde te zijn, dat ik in de plooien van de ruimte die ongevraagd vrij kwam, meerdere ikken kon zijn. In één van die plooien lag Warhoofd in de taal te slapen. Ik heb hem wakker gemaakt en iets begon zich te schrijven.



© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!



Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte

Op zaterdag 25/2/2017 wordt om 15:00 u in de Bibliotheek van Harelbeke “Warhoofds Gekkenwerk”, de nieuwste dichtbundel van Alain Delmotte
voorgesteld. De bundel is een uitgave van Uitgeverij Stanza. Alain Delmotte voorstellen hoeft amper nog. Hij is dichter, essayist, Onderschrift-bezorger, was ondermeer medewerker aan Poëzierapport en diverse andere bladen en is sinds jaar en dag ook redacteur van Digther, lang nog voor het papieren blad overging in de huidige blog-versie ‘De schaal van Digther’. Hij debuteerde in 1983 met de dichtbundel Sociaal Realisme. Sindsdien volgden diverse andere dichtbundels en beschouwingen. Zijn poëzie is sterk gericht op de taal en analytisch van aard. Delmotte is voortdurend op zoek naar een schriftuur (het prozagedicht waarbij de oraliteit wordt beklemtoond) die nauw aansluit bij de ideeën en gevoelens die hij vertolkt, en stelt zich daarbij meermaals non-conformistisch, eigenzinnig en kwetsbaar op.
Illustratief voor het veelzijdig dichterschap van Delmotte is dat de nieuwste bundel ter verduidelijking en een beetje als ondertitel de omschrijving “Prozastukken, prozagedichten, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire en hyperbolen” meekrijgt. Dat “Warhoofds Gekkenwerk” één week na zijn zestigste verjaardag uitkomt noemt Delmotte toeval. Hetzelfde soort toeval dat, naar hij zegt, in zijn bundel een erg belangrijke en niet altijd even sympathieke rol speelt.

Het programma in Harelbeke ziet er op 25/2/2017 als volgt uit:
- Bibliothecaris Jan Van Herreweghe fungeert als spreekstalmeester.
- Frank de Crits (dichter en compagnon de route) brengt een apart statement.
- Bart Vonck (vertaler, dichter, recensent, poëziecriticus) onderneemt een poging om Alain Delmotte te interviewen.
- Uitgever Ton van ’t Hof stelt de publicatie voor.

Tussendoor leest Alain Delmotte enkele teksten voor. Achteraf is er een bescheiden receptie en een gulle signatuursessie voorzien. Ook schilderijen van Lucas Devriendt waarvan er één de cover van de bundel siert zullen er eenmalig te zien zijn.

Namens Alain Delmotte en zeker ook vanwege de Schaal van Digther is iedereen heel hartelijk welkom!

In aanloop naar de voorstelling publiceren we hier in vier afleveringen onder de titel “Elementen van warhoofdigheid” een aantal bedenkingen van de dichter rond “Warhoofds Gekkenwerk” en zijn werk in het algemeen en rond het werk van een aantal van zijn geliefde mede-dichters. In de laatste week volgt dan een voorpublicatie van drie cycli uit de bundel. Zo ziet het Digtherlijke publicatieschema er uit.

* Elementen van Warhoofdigheid (1) (Woe 15/2/2017)
* Elementen van Warhoofdigheid (2) (Do 16/2/2017)
* Elementen van Warhoofdigheid (3) (Vr 17/2/2017)
* Elementen van Warhoofdigheid (4) (Za 18/2/2017)
* Zeg eens wonden (Ma 20/2/2017)
* Verbeurdverklaring (Di 21/2/2017)
* Funeral sentences (Woe 22/2/2017)


























Alain Delmotte, Warhoofds Gekkenwerk, Uitgeverij Stanza

maandag 13 februari 2017

De Roos van Umm-El-Tiel - dirk vekemans
















voor CB en mijn zus Herlinda

Muhammed vertelt mij het verhaal van Salim, Farrid en de Roos van Umm-El-Tiel.

Tot in Al-Hasakah spreekt men van de Roos van Umm-El-Tiel, dochter van Sîn.
Tot in Quneitra en Daraa luistert elke man met open mond naar verhalen over haar schoonheid.
Er wordt gezegd dat zij weldra zou trouwen met de man die haar het juiste antwoord gaf op haar vraag.

- Wat is die vraag?
- Zij vraagt aan ieder die met haar trouwen wil hetzelfde: 'Van waar kom je en wat heb jij voor mij meegebracht?'

In Aleppo leven de broers Salim en Farrid, afstammelingen der Apkallu. Wellicht zal eén van hen de leider worden in het land. Het zijn vrienden, zegt men, maar ze gunnen elkaar het daglicht niet. Dappere krijgers waren het ook. De strijd had hen verenigd in het heldendom, maar nu het vrede is, zoeken zij de strijd op tussen henzelf.

Op een avond vatten Salim en Farrid het plan op om de Roos van Umm-El-Tiel te veroveren. Zij leven in de wijsheid der Apkallu, dus nee: geen van beiden neemt juwelen, geurwaren of luxueuze gewaden mee. Farrid kiest als gift de tabletten waarop de Parshu der goden geschreven staan. Als Farrid Salim vraagt wat hij meeneemt, antwoord deze mysterieus "wat ik heb". Farrid is er niet gerust in. Wat het zou kunnen zijn dat Salim als geschenk mee heeft? Hij besluit dat hij absoluut als eerste in Umm-El-Tiel moet arriveren.
Umm-El-Tiel ligt op zes dagen reizen per kameel van Aleppo, maar Farrid schenkt die nacht nog al zijn bezittingen aan de magiër An-Uanna om een magisch tapijt te kopen dat hem op drie uur bij de Roos zal brengen.

's Morgens ziet Salim nog net zijn broer verdwijnen aan de horizon. Ook hij vat de tocht aan, te voet. Een tocht van 3, 4 weken!
En Farrid arriveert inderdaad na drie uur al in het paleis van Sîn. En even later staat hij voor de Roos van Umm-El-Tiel, die nog honderd malen mooier is dan alles wat men van haar zegt. En de Roos vraagt:

- Van waar kom je en wat heb jij voor mij meegebracht?
- Van Aleppo en dit zijn de tabletten van Mie, met de heilige Parshu.
- Ach ongelukkige! Mijn man komt van Aleppo, ja, dat heeft het orakel mij gezegd, en hij is sterk en knap als gij, maar wat heb ik nu aan dat gekras in klei?

En met het vuur van de verontwaardiging kolkend in haar blauwe ogen, gooit ze de Parshu tabletten in duizend scherven stuk en laat de arme Farrid uit het paleis zetten. Alles is hij kwijt, zijn rijkdom, de spreuken en de hoop te kunnen trouwen met de mooiste maagd van Assyria. Er rest hem niets dan wachten op zijn broer.

En Farrid wacht, en wacht, en wacht. Dagen, weken. Ondertussen werkt hij in de stad als beeldhouwer, want hun vader was beeldhouwer en de vader van hun vader was beeldhouwer. Na drie weken wordt Farrid echt heel ongerust over het lot van zijn broer. Hij werkt zolang dag en nacht tot hij genoeg heeft om een kameel te kopen en rijdt dezelfde dag nog de stad uit om zijn broer te zoeken.

Farrid komt net op tijd bij Salim die van honger en dorst dreigde om te komen. Zij zijn zo opgelucht dat ze elkaar gevonden hebben, dat ze afspreken nooit meer onderling de strijd aan te gaan. En Farrid zegt:
- Salim, Salim, waarom ben je toch te voet gekomen? Er is hier niets dan woestijn!
- Farrid, ik was dwaas en dacht alleen te kunnen overleven hier, en zo mijn liefde te bewijzen voor de Roos.
- Ach Salim, als er iemand haar waardig is ben jij het, mijn broeder, jij moet trouwen met de Roos van Umm-El-Tiel!
- We zullen zien wat zij zegt, zegt Salim.

Aldus geschiedt. Salim vraagt een onderhoud in het paleis en Farrid gaat mee, om zijn broer indien nodig te beschermen tegen de toorn van de Roos. Salims ogen lichten op in het aanschijn van heur schoonheid die - zo is het - haars gelijke nergens kent. En ook hem vraagt zij:

- Van waar kom je en wat heb jij voor mij meegebracht?
- Van Aleppo kom ik, Schone en ik heb meegebracht wat ik heb.
- Ach zo. En wat mag dat wel zijn dan, gij sterke man? Ze zei het wat lacherig, want Salim was nog zwak van de reis.
- Wat ik heb meegebracht is wat ik heb gezien, dochter van Sîn. Ik heb de mensen van Aleppo gezien die mij toejuichten en geluk wensten toen ik vertrok. Ik heb mijn stad gezien vanuit de verte toen ik verder en verder van haar wegging. Ik heb dagenlang door de woestijn tussen onze landen gezworven, en nachtenlang onder het verre fonkelen der sterren de weg gezocht naar u. Ik heb de dood gezien die mij de onderwereld in wou lokken, maar mijn broer, die gij geweigerd hebt, heeft mij gered. Ik heb de pracht van uw paleis gezien, en uw rijkdom is meer dan wat een legioen kan dragen. En ik heb uw schoonheid gezien, dochter van Sîn, zonder twijfel het mooiste wat er bestaat op deze aarde.
- Hmm, aarzelde de Roos, met het tipje van haar tong verleidelijk strelende heur glanzende tanden.

Salim zag haar aarzeling en zette door. Uit zijn broekzak haalde hij een klein steentje, rond van vorm en met de kleur van vruchtbare aarde. En hij zei:

- En ik wil u, ter verzegeling van de wil der goden, dit steentje schenken, dat mijn vader aan mijn moeder gaf, en voor hem zijn vader aan zijn moeder en zo verder tot de tijd der Apkallu.

En dit gebaar bezegelde het huwelijk van Salim van Aleppo met de Roos van Umm-El-Tiel.

Ik vraag Muhammed waarom hij mij dit verhaal vertelt.
- Je kunt er uit leren, zegt hij. Dat schoonheid belangrijker is dan rijkdom en dat je familie het schoonste is wat er bestaat. En dat je niets ziet als je sneller wil zijn dan een kameel, en nog van die dingen...
- Ja goed, maar wat heb ik daaraan als ik seffens moet sterven?
- Tja, antwoordt hij, dat dacht ik ook toen ik het verhaal voor het eerst hoorde.

Hoog boven zijn grijnzende hoofd, in de volle schittering van de genadeloze zon, heft Muhammed zijn kromzwaard.


© dirk vekemans