donderdag 8 december 2016

Voyager II - Robin Hutse

koud als ruimtevaart
niets in mijn woorden
om je organen te doorbloeden

ontbintenis

in mora, niet langer in de echt
geen mantels van liefde
geen afscheidszoen

ons huis breek ik
om er mezelf uit te vlooien:
mijn minachten dat achter de muren marmert

mijn verzuim onder het tapijt
kalk op de ramen, mijn ezelsoren in je boek
je was er zo graag blind voor

je liefde is foutenmarge


© Robin Hutse


Robin Hutse bij Digther:
- Gordiaans
- Voyager II
- Convalescence, 23


woensdag 7 december 2016

Gordiaans - Robin Hutse

bijna botsen we de poten van de keukentafel te los
op een dag haal ik dit huis leeg

en weet hoe het voelde toen
ik mijn vader hielp zijn thuis uit te wissen:

los van een verhaal.
Ik zal kokend water in mijn keel gieten maar

niets te ontdooien,
alleen nog te barsten en

worden we een gradiënt
vloeiend tegengesteld naar hetzelfde -

alles op rotten
alles op weer kind worden
alles op het ontwarren van een cirkel


© Robin Hutse


Robin Hutse (°1993) publiceerde eerder in “Het gezeefde gedicht” en won een tweede prijs bij "Jeugd en Poëzie". Groeide op in Eeklo, woont in Gent en is afgestudeerd in Taal- en letterkunde. Volgt momenteel een master in de economie. Digther publiceert vanaf vandaag drie gedichten:

- Gordiaans
- Voyager II
- Convalescence, 23


dinsdag 6 december 2016

Ilse dus - Sacha Blé

bij Het verkoolde alfabet - Paul de Wispelaere, dagboek (1992)


Dit jaarboek is
traag, is genoeg, is een gedicht,
zo weinig bleef achter
tussen de slapen van zijn schrijver.
Een andere professor morrelt in de krant
in amper vijfhonderd woorden :
te weinig enerzijds, te weinig
anderzijds, een trip
die te particulier is,
want te geprivilegieerd, dus te vlak.

Verspilde moeite. Uw zelfportret
is mij dadels, is mij
bloed en ingewanden,
het danst koppig op dat slappe koord
dat het ik opspant.
Ook ik kreeg gewoon les
van uw Beatrice
die dus Ilse heet:
ze kende me
een onderscheiding toe, voorzichtig,
op het mondelinge examen –


© Sacha Blé, 2016.



Dit gedicht verscheen dit voorjaar in een lichtjes afwijkende versie in de nieuwe bundel van Sacha Blé “Appel met kind”. Uit deze bundel publiceerde de Schaal van Digther eerder ook drie gedichten en een recensie van Alain Delmotte. Sacha Blé herdenkt en erkent de pas overleden Paul de Wispelaere als een van zijn leermeesters; een van de weinige Nederlandstalige auteurs ook die hij herleest.


zaterdag 3 december 2016

Twee miniaturen - Frans Deschoemaeker

1.

Dat onder mijn penne ranke een klein taalfestoen. Dat zich daar ontvouwe een noodzakelijk beeld, een juist woord, in de wellustige krulling van een arabeske. Ik zou willen schrijven in een oud palazzo, met een dadelpalm op de binnenkoer, in hoge donkere vertrekken met luiken, gesloten tegen de moker van het mediterrane middaguur. Met uitgelezen opera’s uit verborgen maar peperdure boxen in een verre achtergrond van mahonie en Nain-tapijten. Met mijn collectie zorgvuldig op veilingen en rommelmarkten bijeengegaarde diptiekjes aan de muur; eentje van Cranach, eentje van Lorenzetti, eentje van de Meester van de Madonna met de Luit onder de Kerselaar. Met op de leestafel werk van Barrès, Huysmans, Gilliams, de onfortuinlijke prins Giuseppe Tomasi di Lampedusa en andere meesters van de splendid isolation, en – om wat te staren als het oog vermoeid raakt van al die letters - met op het einde van de zaal, die uitloopt in een loggia, een besloten tuin, waar onder hibiscus water in witstenen bekkens klatert, de pauw zijn staart spreidt, tussen cipressen bemoste saters bosnimfen belagen.

(Over smaken zou niet te redetwisten vallen? Mijn beste, over smaak valt eindeloos te redetwisten, en steeds zal de conclusie zijn dat één van beide partijen zijn smaak onvoldoende ontwikkeld en verfijnd heeft, en bijgevolg jammerlijk tekortschiet).


2.

Een palimpsest. Op mijn werktafel ligt al jaren een tekstfragment, luchtdicht verpakt in een houdertje van doorzichtig plastic. Hoewel ik de zon zoveel mogelijk uit mijn werkkamer weer, is de blauwe inkt waarmee ik het ooit neerschreef verbleekt. De kalligrafie is haast onleesbaar geworden.

Ik laat de woorden deemoedig in het wit van het papier wegtrekken en papier worden. Over al het geschrevene zal wel ooit weer iets anders geschreven worden, maar ook de uitgewiste teksten zullen hier op de een of andere manier blijven rondhangen (niet in het minst omdat “iets anders” niet “iets nieuws” is, maar hoogstens een intonatieverschil) en het papier zal de letters, de mens en de wereld blijven dragen.

De tekst is van Gerrit Komrij: De verstilde, aristocratische bibliotheek geeft zin aan het zoevende, zinloze slagersmes van de wereldgeschiedenis. Kreten verstomden en werden letters en letters sloegen weer kreten los. Van papier zijt ge en tot papier zult ge wederkeren.


© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


zondag 27 november 2016

Poëziewedstrijd-Stad Izegem

Zin om 's een 'landelijke' poëziewedstrijd te winnen? Neem dan deel aan de tweejaarlijkse Poëziewedstrijd van de Stad Izegem! Alleen al de reis naar de prijsuitreiking op 4/2/2017 in het West-Vlaamse middelpuntsvliedendstadje loont al de moeite! Stuur voor 22 december 2016 drie ongepubliceerde gedichten naar "19de poëziewedstrijd, Cultuurdienst stad Izegem, Nele Descheemaeker, Stadhuis, Korenmarkt 10, 8870 Izegem". Het beste gedicht ontvangt een prijs van 1000 euro!

Meer info & reglement: Cultuurdienst Stad Izegem
Laureatenlijst tot en met 2010


(P.R.)

zaterdag 26 november 2016

Mijn Mandelstammantel

Wanneer het hier zeer hard vriest
en de stenen bijna barsten
onder de ijle vrieslucht van een ijzige ijstijd
drink ik graag een kelkje met Finse wodka
(in harmonie met vriend Jean Sibelius)
en draag ik graag
mijn gerafelde zandkleurige Mandelstammantel
(uit respect voor deze martelaar en held)
maar ik blijf blootshoofds
en stamel:
In Europa is het koud, in Italië is het donker.


© Hendrik Carette


dinsdag 22 november 2016

Barricade - Helen White over een gedicht van Renaat Ramon

Navolgende tekst werd op zondag 23/10/2016 uitgesproken als hommage aan Renaat Ramon (80) bij de opening van de tentoonstelling 'PerfOratie' in Diksmuide.

Barricade - Renaat Ramon














Er is een visueel gedicht van Renaat Ramon, een gedicht van steen dat helemaal niet versteend is; het is één meter hoog, zes lang, maar tegelijkertijd kan je het zó in je handpalm houden, het doet een beetje denken aan een burcht, maakt misschien een politiek statement en speelt tegelijkertijd met dobbelstenen. Het gaat om ‘Barricade’ uit de bundel Zichtbare Stemmen.

Het gedicht bestaat uit zes geometrische vormen, samenstellingen van kubussen. Op één kant van elk van de zes elementen zien we een letter, die samen het woord ‘poetry’ spellen. Volgens Renaat zelf, in een film over zijn werk, gaat het om:

‘een barricade die opgeworpen wordt tegen het verval van het woord: woorden worden misbruikt op alle mogelijke manieren, en misschien is de poëzie nog een uitwijkmogelijkheid om het woord te gebruiken in een onverdachte, ongecompliceerde, enfin wél gecompliceerde maar niet gecompromitteerde manier.’

Als de poëzie dus een barricade vormt tussen ons en een vervallen taal, wat voor een barricade is het? Als eerste merken we dat de poëzie niet alleen op de barricade staat: het is het enige woord in dit gedicht, maar
Helen White - 23/10/2016
het gaat de confrontatie met het vervallen woord niet alleen aan. Bij een kunstenaar die in verschillende disciplines werkt, staat de poëzie niet los van de visuele kunst, de beeldhouwkunst, de geometrie en de wiskunde. Renaat is bekend voor zijn uitgepuurd werk: ik hoef niet de zoveelste te zijn die de zuiverheid van zijn vormen of zijn voorliefde voor strakke lijnen aanhaalt. Waar sommige visuele dichters hun heil zoeken in imperfecties die de korrel, de textuur van een geleefde wereld weergeven, distilleert Renaat de essentiële vormen eruit, met een minimaal gebruik van middelen. Ook dit minimalisme gebruikt hij als bondgenoot in zijn strijd tegen het corrupte woord. Niet omdat eenvoudige vormen voor een simpele, ondubbelzinnige waarheid zouden staan, maar juist omwille van de ruimte voor complexiteit die dit rustig, evenwichtig oppervlak kan bieden.

Rustig, evenwichtig, uitgepuurd: wat een rare woorden om een barricade mee te beschrijven. Juist hier begint de complexiteit van het gedicht, want zou een barricade geen agressie moeten uitstralen? Zou het ons niet moeten beschermen tegen een gemeenschappelijke vijand? Zou het geen solide, onbeweeglijke structuur moeten zijn, die symbool staat ... voor een beweging?

Het is ook zo: het beeldhouwwerk lijkt een beetje op een vestingmuur. En toch... het eerste wat ik in dit gedicht zag, was een bikkelspel; alleen kende ik op dat moment het woord ‘bikkel’ niet, en Renaat dacht dat ik het over dobbelstenen had. ‘Teerlingen,’ zei hij, en ik had jarenlang niet door dat hij mij daarmee een sleutel tot zijn werk aanreikte. ‘Barricade’ heeft immers een zustergedicht in Zichtbare Stemmen: ‘Hommage à Mallarmé’, waarin het woord ‘poetry’ opnieuw voorkomt, deze keer op de zijden van zes dobbelstenen, een verwijzing naar een beroemde voorloper van de visuele poëzie, het gedicht Un coup de dés jamais n'abolira le hasard van de Franse symbolist Stephane Mallarmé. ‘Barricade’ kan gezien worden als fractale dobbelstenen: we kunnen ons bij elk element een kubus voorstellen, waarvan elke zijde opnieuw een kubus wordt.

De uitspraak ‘de teerling is geworpen’, trouwens, komt uit de toespraak van Julius Caesar aan zijn leger toen hij op het punt stond om Rome te bestormen. Maar hoe noodlottig een teerlingworp ook mag wezen, heeft deze poëtische barricade iets speels. Ze is massief, toch danst ze op de topjes van een onmogelijkheid: haar gekantelde kantelen balanceren op een punt, een geometrisch begrip zonder afmetingen dat fysiek niet kan bestaan in een driedimensionale wereld.

Trouwens, die foto heeft nog een goocheltruc in petto. In de film uit 2010 waarin Renaat de filmploeg in zijn atelier rondleidde, legde hij uit dat hij ‘Barricade’ graag in een versie van ongeveer één meter hoog zou ontwerpen, maar voorlopig bestond het alleen als maquette. De foto in de bundel, die in 2009 is uitgegeven, is er dus één van die maquette. Je zou het amper vermoeden, maar het gaat om elementen van zo een tien centimeter hoog. Geen vestingmuur maar blokjes die je zo kan oprapen en werpen als dobbelstenen.

En bovendien – geef toe – zou deze barricade geen fantastisch klimrek zijn? Welk kind zou niet in en op en door en onder onze barricade willen spelen?

Hoe langer we kijken, hoe complexer onze ‘Barricade’ wordt. Monumentaal, maar klein: defensief of noodlottig, maar speels. Tot zover haar uiterlijk; hoe zit het met haar functie? Een barricade is een blokkade, maar maakt dit gedicht eigenlijk iets dicht? Of als de Duitse schrijfster Christa Wolf het stelt, ‘Dichten, dicht machen, die Sprache hilft. Was denn dicht machen, und wogegen?’ Biedt de barricade bescherming door ons af te schermen tegen een vervallen, gecompromitteerde taal? Sluit dat per se uit dat het gedicht ook openingen biedt? Een barricade maakt nu eens dicht, maar een revolutie opent mogelijkheden. Op de foto zien we alvast de gaten tussen de stenen: je zou zo tussen de letters door kunnen kruipen. Entre les pavés, peut-être, la plage.

Een doorlatende barricade, dus, gecompliceerd maar niet gecompromitteerd. En als we erdoor kijken, met welke vijand staan we oog in oog?

Een gecompromitteerd taalgebruik stel ik me voor als woorden die ons de keel dichtknijpen: de mond spreekt nog, maar dan niet meer met onze eigen stem. De poëzie, als tegenpool, moet het omgekeerde doen: ons uitnodigen tot denken, tot een gesprek. En dit schijnbaar eenvoudig, bijna zwijgend werk doet dat wonderwel. De ‘Barricade’ blokkeert ons niet: ze is een startblok.

Een echte wegwijzer biedt dit gedicht nochtans ook niet. Het leert ons de les niet, spelt niet uit wat een integer woord moet zijn, tenzij dan met één ongrijpbaar begrip: ‘poetry’. En ook dat maakt dit gedicht mooi en integer. Het biedt ons maar dat ene woord, zichzelf: de rest is raamwerk voor verbeelding, zeg maar... vorm en visie. De ruimte achter de barricade behoort ons toe. Het is aan ons, diegenen die het gedicht bekijken, de betogers op de barricade, de kindjes op het klimrek, om een eigen poëtische taal te ontdekken, zelf te spreken met een integere stem. Het gedicht zelf doet niets meer – en niets minder – dan een ruimte open stellen. Derrière et entre et sur et sous les pavés, bien sûr, la poésie. Aan de barricade staat alles nog open.


© Helen White
Diksmuide, 23 oktober 2016


maandag 21 november 2016

Opera - Jooris van Hulle over een gedicht van Renaat Ramon

Navolgende tekst werd op zondag 23/10/2016 uitgesproken als hommage aan Renaat Ramon (80) bij de opening van de tentoonstelling 'PerfOratie' in Diksmuide.

In zijn bundel ‘Rebuten’ (2004) richt Renaat Ramon zich op zeker moment tot Lucilius Balbus, een van de deelnemers aan Cicero’s dispuut ‘De Goden’. Ramon vindt in Balbus een tochtgenoot:

Ook jij, Balbus, prijst de schoonheid,
de maat die in de mensen ligt
en de orde die de goden hebben gewild:
maat, orde en evenwicht.

Het gedicht doet mij terugdenken aan wat André Brink, de vorig jaar overleden Zuid-Afrikaanse schrijver, in zijn essayboek ‘Herontdekking van een continent’, noteert over het belang van kunst en schoonheid in de samenleving:

‘Het erkennen van onze behoefte aan kunst betekent niet het onderschatten van het
Jooris van Hulle - 23/10/2016
belang van de eerste levensbehoeften voor mensen, van vrijheid, van de mogelijkheid hun lot te verbeteren: het is niet meer dan de erkenning dat de mensheid ook betekenis nodig heeft, of in ieder geval, de kans om naar betekenis te zoeken.’ Centraal in Brink beschouwing staat het woord ‘betekenis’: vanuit het teken – een taalteken, een beeldteken – zin geven aan wat mensen drijft en bezighoudt. Laat het nu ook net dit zijn wat Renaat Ramon voor,ogen heeft in en met zijn artistiek oeuvre. Als dichter-essayist én als beeldend kunstenaar blijft Renaat in zijn eigen taal communiceren met zijn lezers/toeschouwers.

Het artistieke als de weg die hij blijvend bewandelt om orde te scheppen in de chaos van het leven. Dit brengt mij tot mijn keuzegedicht: ‘Opera’ uit de bundel ‘Geheim besogne’ uit 2006. Het gedicht verenigt in één volgehouden beweging de beeldende kunst en de poëzie:

Opera


Alleen orde is eeuwig.
Man en vrouw
heb ik tot een sluitende cirkel verbogen,
van man en vrouw
een vierkant gemaakt –
zo kan ik werken

op de maat der mensen
als de vader der oorzaak,
door woonden bewoond
en door cijfers getekend.

Ik buig,
martel de metalen
luister naar het kruien van keelklanken,
de woorden wentelend
in het vuur.

En zwijg –
want niet alles
mag voor de dag een naam hebben.


‘Vorm & Visie’, om (nog) maar eens de titel te citeren van Ramons baanbrekend essayboek over de visuele poëzie. Vorm die onlosmakelijk wordt gekoppeld aan visie: geen steriel en dor formalisme, evenmin een gratuit engagement binnen een losjesweg naar voren geschoven ‘visie’, maar wel: een blijvend zoeken naar evenwicht, naar harmonie tussen rede en gevoel, tussen de mathematica van een afgelijnd bestaan (‘door cijfers getekend’ schrijft hij in ‘Opera’) en de ervaring van een gevoel van vrijheid binnen de beleving van de emoties.

Het gedicht ‘Opera’ kan in die optiek worden gelezen als een ‘poëtica’ van de dichter en de beeldend kunstenaar Renaat Ramon. De demiurg die orde schept, of althans: orde WIL scheppen. Ramons poëzie en beeldend werk hebben hun wortels in het menselijke bestaan: tot twee keer toe, in verzen die vanuit hun directe plaatsing mekaar echoën, wordt verwezen naar ‘man en vrouw’. Wat de ‘maker’ aangaat: hij heeft ervoor gekozen beide componenten te ‘verbuigen’ – let hier op de taalkundige connotatie die wordt opgeroepen – ‘verbuigen’ tot cirkel en vierkant, elementaire geometrische vormen die nadrukkelijk aanwezig worden gesteld in het beeldend werk én in de visuele poëzie. ‘Zo kan ik werken’, noteert de ik in het gedicht, ‘op de maat der mensen’, hij wordt ‘vader der oorzaak’, en weet zich door woorden bewoond en door cijfers getekend’. In een gesprek dat ik met hem had in 2005 voor Poëziekrant, zegt Renaat: ‘Ik heb begrepen dat ik voor de helft uit letters besta en voor de andere helft uit cijfers’. Poëzie – zowel de woordgedichten als de visuele gedichten – kan worden gezien als de weg die leidt naar een vorm van harmonie waarin beide helften een leefbaar verbond aangaan.

‘Ik buig, martel de metalen’ gaat hij verder in zijn ‘Opera’-gedicht. De ondraaglijke zwaarte van het scheppingsproces, dat geen enkele vorm van vrijblijvendheid duldt. Woorden wentelen in het vuur – het brandend vuur van de kunstenaar-schepper - , het vuur ook dat toelaat de metalen te buigen en te martelen. Ik keer terug naar de openingsstrofe: ‘Zo kan ik werken op de maat der mensen’, het is een bijna letterlijke herhaling van de verzen uit het Balbus-gedicht, ‘de maat die in de mensen ligt / en de orde die de goden hebben gewild: / maat, rede en evenwicht.’

Het gedicht ‘Opera’ kan in wezen niet los worden gelezen van het er in de bundel op volgende gedicht ‘Opus’. Uit het gedicht spreekt een verregaand relativeringsvermogen: ‘niet alles / wat gedacht werd was gedaan’ – ‘veel woorden weigerden vorm’ – ‘Veel bleef er onvoltooid / en veel ook bleek onvruchtbaar, / niet vatbaar voor een door- / tocht naar het paradijs’. In de beweging van een cyclische omarming grijpt het gedicht dan terug naar het ‘Opera’-gedicht door de herhaling van het vers: ‘want alleen orde is eeuwig’. Veelbetekenend is dan wel de toevoeging: ‘maar ook Chaos in een god’. Orde versus Chaos, en daarin, in die wentelende keer van het bestaan, de dichter die zoekt en blijft zoeken, en daarom, precies daarom kan schrijven – ik citeer uit gedicht 4 uit de cyclus ‘Vigilie’ in ‘Geheim Besogne’: ‘Het is goed hier te zijn, / orde te scheppen, bomen te bouwen, / takken te leiden, knopen te snoeien / en te meten met de maat der mensen.’

Bij Renaat Ramon is bij dat alles geen sprake van triomfalisme – hij spreekt met een stem die niet alles zegt of kan zeggen. De slotstrofe van ‘Opera’ getuigt daarvan:


En zwijg –
want niet alles
mag voor de dag
een naam hebben.

Het kan erop lijken dat de dichter hier minder gelooft aan de kracht van het woord. In zijn bundel ‘Noodweer’ (uit 1987) had hij al aan het slot geschreven: ‘één voor één / besterven je de woorden / in de mond’. In de slotstrofe van ‘Opera’ heeft het gevoel van onmacht als het gaat om de impact die poëzie misschien tot op zekere hoogte kan hebben, plaats gemaakt voor een dieper inzicht: ‘niet alles / mag voor de dag / een naam hebben.’ Hier is een dichter aan het woord die weet dat woorden niet steeds even adequaat kunnen vatten wat de dichter voor ogen heeft. De brief die Renaat Ramon in ‘Rebuten’ richt aan Kleanthes van Assos eindigt zo: ‘Traagheid:omdat je slechts / weloverwogen woorden spreekt.’ Zou dit, gerelateerd aan zijn ‘Opera’, niet een zelfportret kunnen zijn van Renaat?


© Jooris van Hulle
Diksmuide, 23 oktober 2016



zondag 20 november 2016

Aan Titus Cassius Severus – Alain Delmotte over een gedicht van Renaat Ramon

Navolgende tekst werd op zondag 23/10/2016 uitgesproken als hommage aan Renaat Ramon (80) bij de opening van de tentoonstelling 'PerfOratie' in Diksmuide.


Dames en heren,

Ik begin met een stelling die velen onder u zal verbazen.. Ik poneer namelijk dat gedichten niet geschikt zijn om te worden gelezen.

Ja, zelfs de gedichten van Renaat Ramon zijn helemaal niet geschikt om te worden gelezen. Omdat het, met name, veeleer de bedoeling is dat gedichten (en zeker die van
Alain Delmotte - 23/10/2016
Renaat Ramon) worden herlezen. Gedichten worden meer herschreven dan geschreven: ze worden bijgewerkt, vervloekt, gesloopt en weer hersteld. Dan fijn geslepen: om tenslotte bedachtzaam binnen een groter geheel te worden gestructureerd. Een cyclus. Een dichtbundel. Een oeuvre.Waarmee ik wil beweren dat net als het schrijven ervan, ook het lezen van poëzie onderhevig is aan een proces. Dichter en lezer zijn aan elkaar gewaagd: schrift en lectuur ontwikkelen zich, rijpen gestaag. Lezen, herlezen en opnieuw herlezen totdat die gedichten in het beste geval in het innerlijke gebeiteld staan en in het allerbeste, uitzonderlijke geval deel gaan uitmaken van het leven van een lezer.

Niettemin is er het moment waarop je een gedicht effectief voor het eerst leest. Tot op vandaag is het lezen van poëzie iets wat voor mij als het overschrijden van een grens is. Die grens is de grens van het gestandaardiseerde, geüniformiseerde lezen.

Het is nu eenmaal zo dat een gedicht zich niet laat doorslikken als een gezellig, in vlot- en gladheid uitblinkend columnpje. Het lezen van een gedicht vereist een soort tabla rasa, een onbevangenheid waarbij je alle vooroordelen en conditioneringen (rond het lezen tout court en het lezen van poëzie in het bijzonder) moet laten varen en waarbij je je door niets of niemand mag laten afschrikken.

Ik koos een gedicht van Renaat Ramon uit de bundel ‘Rebuten’ uit 2006. Het gedicht ‘Aan Titus Cassius Severus’. Hier kan zowel de titel van de bundel als de titel van het gedicht een lezer afschrikken.

‘Rebuten’: een woord dat gemakkelijk in een woordenboek is terug te vinden, maar dat zo ongewoon is (en in onbruik geraakt) dat ik me kan inbeelden dat er lezers zijn die afhaken. Nochtans is het doodsimpel: rebuten zijn nooit opgestuurde brieven.

Hiermee wil ik het nu even hebben over de specifieke verhouding tussen de dichter en ‘het woord’.

Op één juli van dit jaar stierf op 93-jarige leeftijd de grote Franse dichter Yves Bonnefoy. In mei was er nog een nieuwe bundel van hem verschenen ‘Ensemble encore’, ‘Nog altijd samen’. Daarin inventariseert Bonnefoy wat voor hem de pelgrimage van het gedicht inhoudt. Hij schrijft ‘Que voulions-nous? /Seulement préserver du sens aux mots’- ‘Wat willen wij? / Alleen de betekenis van de woorden behoeden.’

Naar het woord van Auden waken dichters over woorden, over hun betekenis. Ze zorgen ervoor dat woorden niet
wegzinken, niet worden opgeslorpt, niet worden opgeschort in de demagogische trucages van het lopend discours, het ideologisch discours, het discours van de macht (altijd maar het discours van de macht): de politiek, de economie, de media – alles wat of wie de mond van het woord met praatjes en ruis dichtpropt.

Dit is het wezenlijk verschil tussen poëzie en het lopend discours. Het laatste vernauwt de betekenis van de woorden. Het eerste verbreedt die.

Poëzie brengt het woord aan het spreken in het besef dat het hier om een extreem frêle organisme gaat. Dichters hebben de plicht om spaarzaam met het woord om te gaan. Wat geenszins betekent dat zij hun woorden moeten sparen.

Woorden zijn gelaagd: ze hebben een expliciete en impliciete betekenis. Expliciete betekenis: zoals de woorden daar staan, zoals we er functioneel gebruik van maken. Impliciete betekenis: zoals de woorden hun etymologische tentakels uitstrekken, zich vertakken, contexten creëren, hun opwindende, soms losbandige, libidineuze luminositeit als ze met andere woorden in aanraking komen: de onvermoede vurigheid die woorden in hun expliciete betekenis verborgen houden en die door de dichters in hun poëzie wordt blootgelegd.

In wezen houdt dit voor het lopend discours een gevaar in.

Puur op taalniveau is poëzie niet meer en niet minder een vorm van dissidentie. Poëzie is in het gebaar dat ze meent te realiseren wezenlijk aanstotendgevend. Dichters lijken het vergeten te zijn: skandalon behoort tot één van de vele domeinen van de poëzie. Weliswaar grijpt die schande onderhuids plaats en gaat niet gepaard met het soort sensatie of spektakel waar de media zo naar hongeren.

Ik citeer Saint-John Perse: ’Et c’est assez, pour le poète, d’être la mauvaise conscience de son temps.’, ‘En het volstaat voor de dichter om het slechte geweten te zijn van zijn tijd’. En uitspraak, nota bene, die hij maakte in zijn toespraak bij de uitreiking van zijn Nobelprijs in 1960.

Renaat Ramon citeert de Brusselse surrealist Louis Scutenaire:’la poésie, c’est la liberté d’esprit’ – ‘poëzie is vrijheid van geest.’ In onze democratieën lijkt dat net niet het geval te zijn: poëzie wordt onder tafel geveegd, de schande wordt gerecupereerd, de vrijheid van geest gebanaliseerd, geïgnoreerd.

Feiten bewijzen het: in rechtse en linkse, altijd barbaars uitvallende despotische regimes valt het poëtische, vrije woord als een provocatie uit. Een gegeven dat we in het gekozen gedicht zullen terugvinden.

Wat in deze bundel nog zou kunnen afschrikken: de titel van het gedicht. Meer zelfs: de gehele inhoudstafel. Je leest daar de namen van de personen tot wie de rebuten zijn gericht. Wie die correspondenten zijn, wordt niet aangegeven. Voor het ‘who is who’ moet je op de website van Renaat Ramon terecht. Op de flaptekst van de bundel lezen we het volgende: ‘Je hoeft niet alle allusies, citaten en persiflages te traceren om te genieten van deze ritmische confrontatie met het verleden dat hier bij middel van retorische figuren, anachronismen en paradoxen wordt geactualiseerd.’ Met andere woorden: de dichter nodigt ons uit om te zoeken naar de impliciete betekenis van de gedichten: hoe het gedicht spreekt, is wat het gedicht zegt. En dat is wat ik heb gedaan: ik schoof de expliciete betekenis even opzij. Ik kon niets anders: ik heb geen klassieke opleiding gehad. Niet één van de correspondenten was me bekend. Het duurde zelfs een tijd eer ik begreep dat bijvoorbeeld Quintius Horatius Flaccus niemand minder dan dé Horatius was.

Bij een eerste lezing neem ik een vrije duik in de taal van de dichter. Hoe doen woorden zich in hun context voor – wat laten ze aanvoelen, wat laten ze zien en horen? Ik kijk, betast, luister. Ik betast de taaltextuur, ik luister naar de woordcoloratuur. Ik maak enkel kennismaking met het gedicht: ik zoek openingen, lichtpunten, ademhaling. De verkenning volgt later.

In deze fase viel het me meteen op: de bijna intieme en intimistische toon van deze ‘rebuten’. Ik werd aangesproken door de manier waarop de dichter me toesprak. Deze geritmeerde, eloquente brieven konden niet worden opgestuurd gezien de mogelijke correspondenten zich al lang onder de zoden bevonden. De publicatie ervan maakt duidelijk dat de eindbestemming van deze brieven wel degelijk de richting uitgaat van de lezer.

Het is pas bij een tweede lezing dat ik aandacht gaf aan de expliciete betekenis van het gedicht. Dit op basis van de vaak laconieke notities die we op Renaats website kunnen vinden. Titus Cassius Severus was een Romeins redenaar ten tijde van Augustus en Tiberius. Hij stierf op het Griekse eiland Serifos in het jaar 32 na Christus. Hij was berucht en gevreesd om zijn sarcastische smaadschriften. Als tegenstander van het imperiale regime werd hij verbannen.

Een gegeven dat helaas van alle tijden blijkt te zijn: heersers dulden niet dat er met hen wordt gespot. Denken we aan wat recent de Duitse komiek Böhermann overkwam. Hij deed het niet altijd even elegante of subtiele uitspraken (verre van) over Erdogan maar blijkbaar waren ze cassant genoeg om hem te ergeren. Of denk aan hoe het op 7 januari 2015 plots stil werd in het redactiezaaltje van het tijdschrift Charlie Hebdo: even stil werd het als aan de oevers van de Archeron, een mythische rivier in het rijk van Hades, de vervloekte god van de onderwereld.

Ik kan het niet laten om te bekennen dat mij in dit gedicht een andere figuur te voorschijn kwam. Ik hoor in Serifos het woord ‘Siberië’ weerklinken. Ijskoud doet mij dat aan een van onze modernen denken: de Joodse Rus Osip Mandelstam die het lef en de moed had om heel terecht de vette vingers van Stalin met wormen te vergelijken en zijn snor met een nest kakkerlakken. Het is hem duur te staan gekomen.

Het gedicht is van een schrijnende actualiteit. Poëzie staat in de actualiteit. Ook formeel is het interessant: beschouwend en lyrisch tegelijkertijd (we horen in de Pontijnse moerassen de kikkers duidelijk hoorbaar kwaken). Er zijn de fijne toespelingen. Er is de ironie en het taalspel.

Wat maakt, dames en heren, dat de gedichten van Renaat Ramon uitermate geschikt zijn om te herlezen.

AAN TITUS CASSIUS SEVERUS

Severus, waarde Cassius Severus!
Zeer zeker: men zal je later prijzen
als ‘de grootste onder de modernen’; nu
oogst je slechts hoon, afkeer en bitterheid.
Wij weten het: rust, vrede, harmonie – dat
is nu eenmaal niet voor je weggelegd.
Je hebt vijanden gezocht en vijanden
gevonden: lyrische leugenaars, laag-
hartigen die heersers naar de mond praten,
die buigen, plooien, strijken voor een tiran.
Ze kwaken als kikkers in de Pontijnse
moerassen; ze nemen het je kwalijk,
zeer kwalijk, dat jij je zwijgen verzilvert,
hun geweten bezwaart, de ‘hiërarchie
van waarden’ misprijst (de Wet die in hun
oogen eeuwig is) en je talent misbruikt
om heren en augurken te gispen.
En men verwijt je dat je in verbale
gevechten als je tegenstanders velt
met manifest gebrek aan elegantie
en het fervente gebruik van sarcasmen.
Toch zijn je vijanden je waardig, vriend
Severus: naar Kreta werd je verbannen:
heel elegant! het eiland van de stier!
Dat je later op Serifos werd gedumpt,
onverbeterlijke ijzervreter,
dat is nog eens sarcasme. Waar ook sterven
moet men met mate, nietwaar: zonder haast
neem je van je omgeving de kleuren aan,
zonder haast daal je af, zonder haast keer
je het erts. En toch, Cassius Severus,
ook nu nog: als jij spreekt wordt het heel stil
aan de boorden van de Tiber, stiller nog
dan aan de oevers van Archeron.


© Alain Delmotte
Diksmuide, 23/10/2016



Renaat Ramon geperfOreerd in drie gedichten

Op zondag 23 oktober ging in de galerij Montanus5 in Diksmuide een mooie hommage-namiddag door ter attentie van Renaat Ramon die in de week daarvoor
Renaat Ramon, Diksmuide 'Montanus5' - zo 23/10/2016



















net tachtig geworden was. Met "Draagvlak en vizier" werd een nieuwe dichtbundel van Renaat voorgesteld. De bundel is een uitgave van het Poëziecentrum. Tevens werd de tentoonstelling "PerfOratie" met plastisch werk van Ramon zelf en van Patrick Coenye geöpend. Deze tentoonstelling loopt momenteel nog tot en met het huidig weekend. Wie ze nog wil zien moet zich dus reppen. Op 4 december 2016 ontvangt Renaat Ramon samen met Lies Van Gasse in Aalst de Dirk Martens-prijs voor poëzie.

Na een sterke inleidende toespraak van Dirk De Geest brachten Alain Delmotte, Jooris van Hulle en Helen White op zondag 23 oktober 2016 elk op hun bevlogen manier een persoonlijke interpretatie van een gedicht van Renaat Ramon. Vanaf vandaag publiceert 'De Schaal van Digther' de drie teksten zoals ze in Diksmuide werden uitgesproken:

- Alain Delmotte over 'Aan Titus Cassius Severus'
- Jooris van Hulle over 'Opera'
- Helen White over 'Barricade'



(Notitie: Paul Rigolle)


zaterdag 19 november 2016

Zitbank - Sacha Blé

Hugo De Troyer - Foto S.Blé




















Nenia voor Hugo De Troyer (1964-2016)


Boek me dan, Boekenman,
Broze Viking, Indiaan Bach

drijf me, wijs
me de muur eeuwigheid,

kniel naast mij,
Verlichte, Rode Wijn –

Breng me het brons,
het graniet, de paardenkracht,

Berg van Koffie, Jij,
Bariton, Zitbank –



© Sacha Blé,

16.11.2016.


vrijdag 18 november 2016

Schemerzone - Astrid Arns

Mijn doden, zij blijven jong op het vergeeld papier.
Uit hun ogen spreekt steeds hetzelfde.
Verbazing, want een onfortuinlijk lot. Gevaar is geen hersenspinsel
en sterven doe je beter gisteren dan vandaag.

Besta ik meer dan hen omdat ik leef?
De blinden van mijn raam zijn neergelaten.

Ooit komen we bij elkaar in een met wijn besprenkelde nacht,
voor het hanengekraai en met dansende dijen.
Onze broeierige karkassen zullen feesten.
Ik zal mijn moeders moeder zijn.


© Astrid Arns



Noot:
Aan de Gentse dichteres Astrid Arns werd in het voorbije weekend de Achtste Melopeeprijs voor Poëzie toegekend. En dit voor “Ontheemden", een gedicht dat eerder werd gepubliceerd in het online tijdschrift “Het gezeefde gedicht”.

Overigens is Astrid de moeder van Jana Arns die bij Digther eerder ook al heel mooi present tekende! Bovendien is zij de nicht van die andere bevlogen dichteres Frouke Arns. Van een poëtische familie gesproken!

Naar aanleiding van de prijsuitreiking van de Melopeeprijs werd een bloemlezing uitgegeven met de 21 geselecteerde gedichten. Verkrijgbaar via Melopee-Laarne en via deze link.Ook een mailtje kan: jeugd.cultuur@laarne.be


donderdag 17 november 2016

Meeting - Astrid Arns

Ik ben het perkamenten meisje. Tijd heeft geen geluid.
Kerft met een slagersmes en vraagt zich af
op wie ik niet wil lijken met die overdaad van huid.

Wie vlucht heeft een geheime pijn en blijft niet staan.
Ik been het huis uit, ongenadig.
Ik ben een dwarsdoorsnede van mezelf.
Voordat we sterven zijn we niet normaal.

Het is een wonder dat de doden mij nog raken.
Zij trekken verder, hemelhoog en komen tevens naderbij
met zoet gezang en dat volstaat.
De ramen van mijn stille huis staan boven open.


© Astrid Arns



Noot:
Aan de Gentse dichteres Astrid Arns werd in het voorbije weekend de Achtste Melopeeprijs voor Poëzie toegekend. En dit voor “Ontheemden", een gedicht dat eerder werd gepubliceerd in het online tijdschrift “Het gezeefde gedicht”.

Overigens is Astrid de moeder van Jana Arns die bij Digther eerder ook al heel mooi present tekende! Bovendien is zij de nicht van die andere bevlogen dichteres Frouke Arns. Van een poëtische familie gesproken!

Naar aanleiding van de prijsuitreiking van de Melopeeprijs werd een bloemlezing uitgegeven met de 21 geselecteerde gedichten. Verkrijgbaar via Melopee-Laarne en via deze link.Ook een mailtje kan: jeugd.cultuur@laarne.be


woensdag 16 november 2016

Tafereel - Astrid Arns


Drogbeelden en zandkastelen , een samenscholing op de rug gezien.
Papavers tussen bomen van het niemandsland waar alles opnieuw kan beginnen.
Aan de horizon een onheilsbode met weifelende tred, gebogen bereikt hij het dorp.
En vat moed.

Ik schraap mijn keel , schreeuw me schor nog voor hij nadert.
Kijk hoe die aartsengel bevriest.
Van de weeromstuit keert hij om en wordt steeds kleiner.

In het getto van mijn geheugen gooi ik met stenen tegen een witgekalkte muur.
Iemand schiet vuurpijlen af op deze goddeloze dag.



© Astrid Arns



Noot:
Aan de Gentse dichteres Astrid Arns werd in het voorbije weekend de Achtste Melopeeprijs voor Poëzie toegekend. En dit voor “Ontheemden", een gedicht dat eerder werd gepubliceerd in het online tijdschrift “Het gezeefde gedicht”.

Overigens is Astrid de moeder van Jana Arns die bij Digther eerder ook al heel mooi present tekende! Bovendien is zij de nicht van die andere bevlogen dichteres Frouke Arns. Van een poëtische familie gesproken!

Naar aanleiding van de prijsuitreiking van de Melopeeprijs werd een bloemlezing uitgegeven met de 21 geselecteerde gedichten. Verkrijgbaar via Melopee-Laarne en via deze link.Ook een mailtje kan: jeugd.cultuur@laarne.be


dinsdag 15 november 2016

Hommage - Astrid Arns


Ze loopt behaaglijk in mijn kielzog. Ik plak een glimlach op.
Het kind van mijn kind. Het huis maakt zich op voor haar.

Ze lijkt op een hond in een kegelspel. Wie brengt haar tot bedaren?
Het kind van mijn kind. Een spiegelbeeld van vlees en stof.

Ik zit voorgoed in haar donkere bloed.
In haar bewoon ik deze onbekende kamer.


© Astrid Arns



Noot:
Aan de Gentse dichteres Astrid Arns werd in het voorbije weekend de Achtste Melopeeprijs voor Poëzie toegekend. En dit voor “Ontheemden", een gedicht dat eerder werd gepubliceerd in het online tijdschrift “Het gezeefde gedicht”.

Overigens is Astrid de moeder van Jana Arns die bij Digther eerder ook al heel mooi present tekende! Bovendien is zij de nicht van die andere bevlogen dichteres Frouke Arns. Van een poëtische familie gesproken!

Naar aanleiding van de prijsuitreiking van de Melopeeprijs werd een bloemlezing uitgegeven met de 21 geselecteerde gedichten. Verkrijgbaar via Melopee-Laarne en via deze link.Ook een mailtje kan: jeugd.cultuur@laarne.be


maandag 14 november 2016

Spijkers - Astrid Arns

Een steen uitbeitelen en daarna de aarde ziften.
Een winterkoninkje in de zomer terwijl bosmaaiers te keer gaan.
Twee gezichten samenvoegen op een onbewaakt moment
en vragen hoe het met hem is.

Licht dat enkel op een afgewend voorhoofd valt.
In het voorgeborchte waar ik mij begeef,
wormen en kevers waarnaar ik lukraak tast.
Door woede aangevreten
vragen hoe het met hem is.

Een steen uitbeitelen en daarna de aarde ziften.
Haren vol zand en zweet ,de buik van een stoffige stad
Een man slaat spijkers in mijn hart.


© Astrid Arns


De Schaal van Digther publiceert deze week 5 gedichten van Astrid Arns. Aan de Gentse dichteres werd het voorbije weekend de Achtste Melopeeprijs voor Poëzie toegekend. En dit voor “Ontheemden", een gedicht dat eerder werd gepubliceerd in het online tijdschrift “Het gezeefde gedicht”. Zij heeft uiteraard ook de gelukwensen van de voltallige redactie van ‘De Schaal van Digther’!

Overigens is Astrid de moeder van Jana Arns die bij Digther eerder ook al heel mooi present tekende! Bovendien is zij de nicht van die andere bevlogen dichteres Frouke Arns. Van een poëtische familie gesproken!

Naar aanleiding van de prijsuitreiking is een bloemlezing uitgegeven met de 21 geselecteerde gedichten. Verkrijgbaar via Melopee-Laarne en via deze link.Ook een mailtje kan: jeugd.cultuur@laarne.be


zondag 6 november 2016

La colombe-Romain John van de Maele

Geen dans met Colomba,
bewegend op het ritme
van het hart en het verlangen.
Nodigt de duif hem uit

of stelt ze hem op de proef
in de kilte tussen zij en wij?
Wie laat zich het eerst gaan?
Wie kiest voor de vlucht

door het oude, open venster?
Een aftocht in mineur zowaar,
of een gebaar van verzoening
op het ritme van de klok.


© Romain John van de Maele


Uit de cyclus ‘Amour