maandag 26 september 2016

Debuut - Frans Deschoemaeker

...In die jaren brachten China en Frankrijk hun eerste waterstofbom tot ontploffing, werd de Sorbonne door studenten bezet, vaardigde paus Paulus VI de encycliek Humanae Vitae uit, werd Tsjecho-Slowakije door de landen van het Warschaupact bezet, ontving Gerard Kornelis van het Reve de P. C. Hooftprijs en Miguel Angel Asturias de Nobelprijs, zette Neil Armstrong tijdens een rechtstreekse televisie-uitzending als eerste mens voet op de maan, zong Joan Baez te Berkeley en Woodstock, werd de Amerikaanse luitenant William L. Calley in staat van beschuldiging gesteld voor de moord op meer dan honderd Zuid Vietnamese burgers in My Lai, werden Che Guevara, Martin Luther King, Salvador Allende en Sharon Tate vermoord, overleden Ho Tsji Minh, Bertrand Russell, Igor Strawinsky, Simon Vestdijk en Papa Doc, zong Dylan op het eiland Wight, verlieten de Amerikanen Vietnam, werd in Libië koning Idris afgezet door kolonel Kadhafi, ontaardde een gijzelingsactie van de Palestijnse guerrillagroep Zwarte September tijdens de Olympische Spelen te München in een bloedbad, vielen Amerikaanse troepen Cambodja binnen, zong Peter Green The Green Manalishi en Ian Anderson Aqualung, bezocht Nixon de Sovjet-Unie en China, alvorens uit te glijden over die bananenschil genaamd Watergate

Ik heb dit alles amper geweten. Dit gewoel drong amper door tot de beloken kloosterbinnenkoer, de studiezaal, het dormitorium, de sportvelden van een Salesiaans internaat aan de landelijke zuidrand van Kortrijk, onder de Sint-Annaberg, waar zich in die dagen mijn wereld uitstrekte.

Zoals ik ook amper geweten heb dat in die dagen het Kortrijkse stadscentrum om vier uur in de namiddag vol raakte met zenuwachtig rumoer, blauwe plooirokjes, gerinkel van fietsbellen, dat er meisjes bestonden die niet op internaat zaten maar van school naar huis fietsten, ommetjes maakten naar het stadspark, of naar het jaagpad langs de Leie, met àndere jongens van mijn leeftijd. Wellicht deed de Salesiaanse broederschap er alles aan om de triviale wereld buiten te houden, opdat de pupillen zich beter zouden kunnen concentreren op wat wezenlijk was: de wereld der antieken, bijvoorbeeld, die volgens de beginselen van de Grieks-Latijnse humaniora van alle tijden was. Die wereld, waarmee wij opstonden en gingen slapen, was veredeld, schematisch, gepolijst, ingedikt, hij kwam uit vergeelde schoolboekjes, maar: hij kwam tot ons in kunstige woorden. Hij kreeg langzaam vorm, uit woordenlijsten, grammatica, moeizame metrische vertalingen, dactylische hexameters, jambische trimeters, epitheta, chiasmen en anakoloeten.

Ik herinner mij pater Willemen zaliger, titularis van de poësisklas, die met stentorstem Horatius voordroeg, terwijl de vier klasmuren zijn stem in het kwadraat weerkaatsten: Eheù fugaces, Póstume, Póstume, labùntur anni; nec pietàs moram rugis et instanti senectae àdferet indometaéque morti… Het ontlokte mijn klasgenoten een nerveus gegiechel, maar ik, ik kreeg er ondefinieerbare rillingen van.

Ik zal wel een aangeraakte geweest zijn. Tot in mijn vezels vatbaar voor taal. Op een leeftijd die doorgaans intense lichamelijke sensaties en onduidelijke emoties met zich mee brengt, schoof het woord vóór de werkelijkheid, transformeerde zich in taal wat ik voelde en waarnam.

(Nu besef ik dat de parken, priëlen, bosschages en landerijen die in mijn gedichten zo vaak het decor uitmaken, hoewel Westvlaamser en meer doortrokken van zure regens, meer overvleugeld door de dodelijke schoonheid van de herfst en van het fin-de-siècle, verre echo's moeten zijn van de pastorale, door cipressen beschaduwde decors van Theocritus, Vergilius, Horatius).

Bernard Verstraete, leraar Nederlands, introduceerde de Vijftigers en verschafte me het kapitale inzicht dat je moderne poëzie kon schrijven zonder per definitie alle klassieke verworvenheden overboord te moeten gooien. Hugo Claus schudde mijn zicht op de taal, en bijgevolg op de wereld, helemaal dooreen. Ik heb De Oostakkerse gedichten luidop lopen declameren in de Bavikhoofse velden, tijdens de zomervakantie, terwijl de zon op mijn kop brandde en in het koren haar jongen maakte. Tegen de wand van mijn kamer prikte ik een foto van de meester, Claus met donkere bril op een veldweg aan de molen te Nukerke, en daaronder de volgende, duizend maal gelezen, ontzagwekkende regels:

Verterend vocht, scherpe begeerte
De zomer daarbuiten richt
Mijn kruisboog van liefde.
De tuin is volbracht.
Een zomerdag.

En de kringloop eindigt niet.
Ons bloed verandert niet.
Gij, die spant als een panter,
En ik, die schiet in lemmer en spies,
Wij betalen tol en worden een seizoen.

De heldere oorden achter de woorden. Eerder zal je het avontuur vinden in een boek, dan op straat. Intens leven is schrijven over het leven. De wereld is een activiteit van de geest. De wereld is gemaakt om uit te lopen op een mooi boek. Schrijven is weerbaar zijn tegen het verpletterende dat bestaan genoemd wordt, misschien de enige zinvolle vorm van weerbaarheid. Dat begon mij daar allemaal vorm en klank te krijgen, daar in de dakkapel van dat kale Salesiaanse internaatskamertje, waar ik mij op een lauwe septemberavond van 't jaar negentienhonderd-en-zoveel voor het eerst had aangeschikt tot het schrijven van een gedicht.

… En in die jaren werd Alcibiades op aanstichten van Lysander in Phrygië vermoord, versloeg Themistocles de Perzische vloot in de baai van Salamis, sprak de oude Cato het beroemde gerundivum Carthaginem esse delendam, werd het hoofd van Heer Halewijn op de tafel en dat van Cicero op de rostra gezet, opende Seneca zich de polsaderen, en ook Gaius Petronius Arbiter deed dat, sprak Horatius zijn onverwoestbare gerundivum nunc est bibendum, terwijl hij zijn wijnstokken snoeide in Latium (Alan Wilson zong Going Up the Country), ontdekte ik gaandeweg het werk van de Haes, Gilliams, Christine D'haen, Herman Hendrik ter Balkt, Nic van Bruggen (de pink poet waarmee ik meer dan tien jaar later 't Antwerpen zou borrelen in kroegen waarvan de naam inmiddels ook alweer tot de stadslegenden behoort), kwam Albert De Longie, in die dagen mentor van veel jonge Vlaamse dichters, mij te Bavikhove opzoeken met de mededeling dat ik met mijn gedicht Een vreemde in het dorp de poëzieprijs van het tijdschrift Nieuwe Stemmen gewonnen had, zag ik mijn gedicht en mijn naam gedrukt in Nieuwe Stemmen, was mijn debuut in de letteren een feit.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


zondag 25 september 2016

Over 'Ondefinieerbaar wit' van Etienne Van den Steen

Recensie Frank Decerf

Ondefinieerbaar wit is geen debuutbundel. Etienne Van den Steen heeft al een en ander uit zijn pen gekregen gaande van filmscenario’s, poëziebundels en een kunstboek over zijn overleden vader. Hij is dus een productief schrijver die niet op zijn lauweren rust. In Ondefinieerbaar wit stel ik uitgesproken moeilijke menselijke communicatie over en weer vast. Meningsverschillen worden niet uitgeklaard en vormen een dreigende ondertoon doorheen de bundel. Van den Steen creëert een wereld van communicatieve stoorzender, van misbegrepenen. Het goedbedoelde dat niet altijd aankomt, het niet begrijpen en toch hoopvol volhouden of hoe scheiden de laatste optie wordt en inspanningen op voorhand wellicht gedoemd zijn. Een somber speelveld dus. De mens met al zijn beperkingen op zoek naar dat klein beetje geluk, dat klein succesje waarop hij recht heeft. Maar het blijft regenen in de wereld van Van den Steen. Het donker heeft een reden van bestaan. De individuen blijven elkaar hartstochtelijk trouw in hun isolement, ze zijn gedoemd tot hopen op beter. Het houdt hen wakker en meer. Hoe moeten ze overleven? De relaties zijn hard.


DEJA VU

Wij kruipen uit bed zoals gewoonlijk
veel te vroeg struikelen over de laatste trede
voor de keuken waar niemand wacht

wij zuchten denken aan het vrijgevochten woord
waarmee onze dag zichzelf begint:
‘wij’

sluiten ramen en trekken jassen aan
zetten kragen recht draaien sjalen rond de hals
gaan naar buiten vergeten paraplu’s

het regent in de straat zoals in bruine déjà vu-verhalen
het tweede woord van deze dag verschijnt in zicht
als een halte die we niet meer willen ‘missen’

de menigte wacht en staart naar niets
zoals gewoonlijk remt een bus in plassen
een derde woord smeekt om het op te rapen

in de greppels ‘missen wij elkaar’ verloren.


In de opbouw van de meeste gedichten beperkt de dichter het gebruik van leestekens tot een uiterst minimum. Hij laat zijn teksten vloeien en geeft de lezer voldoende ademruimte. Van den Steen zoekt geen geforceerde stijlelementen of onmogelijke associaties. Hij laat de taal volwassen zijn en zonder kapsones haar ding doen. Woord en dichter werken samen en bereiken een poëtica wars van eigenwaan en drukdoenerij. Ondefinieerbaar wit is aangevuld met 10 monochrome grafische werken van Viviane Decramer. Jammer dat de bundel geen inhoudstabel bevat. Het is dus moeilijk om, gemakkelijk en vlug, gedichten op te zoeken en terug te vinden. Deze laatste publicatie van Etienne Van den Steen is geen bundel om te lachen; het is een bundel om te lezen.


Ondefinieerbaar wit, Etienne Van den Steen, Uitgeverij C. de Vries –Brouwers, 2016, ISBN 978-90-5927-468-6


© Recensie: Frank Decerf


vrijdag 23 september 2016

Boeveriestraat 41 - Herman Leenders

Boeveriestraat 41 - Sint-Godelieveabdij

de klokken roepen nog op
tijd en stond maar de kloostergang
blijft zonder stappen zonder ruisen
de kerk zonder wierook of gezang

kruisen worden hier niet meer geslagen
schrijn en tabernakel lege curiosa
zonder smeekbeden heelt een devotiebeeld
keelpijn noch huwelijksleed

in de refter kraken de vloerplanken als oude gewrichten
smachten kruiken met opengesperde kelen naar water
de wijzers vielen op een onchristelijk uur stil

boven de tuinmuur draait een lichtend aureool
de Meifoor claxonneert en schreeuwt
u hebt gewonnen vous avez gagné


© Herman Leenders



Dit is een zesde stadsgedicht van Herman Leenders, vrije stadsdichter van de Stad Brugge. De Engelse vertaling kun je in een vertaling van Annmarie Sauer lezen via deze pdf-link.

Herman Leenders is de vijfde vrije Brugse stadsdichter. Hij krijgt de opdracht elf Brugse stadsgedichten te schrijven over schoonheid en troost, vreugde en ergernis, Brugge en de wereld. De stadsdichter wordt geroepen door de Poëziebos-muzes. Dit in samenwerking met het Poëziebosnetwerk en Boekhandel De Reyghere & Brugse Boekhandel.

Notitie bij het gedicht: De zusters benedictinessen verlieten eind 2013, na bijna 400 jaar, de Sint-Godelieveabdij in Brugge. Het Brugse stadsbestuur heeft deze site voor vijftig jaar in erfpacht en zoekt naar een nieuwe bestemming. Het gedicht werd gelanceerd op de naamdag van de heilige Godelieve van Gistel: 6 juli 2016.


woensdag 14 september 2016

Zelfs als we lief zijn blijven we haaien


Over ‘In uiterste staat’ van Frederik Lucien De Laere
Recensie: Alain Delmotte

Met zijn vierde bundel ‘In Uiterste staat’ bewijst Frederik Lucien De Laere definitief zijn maturiteit. Al blijft hij natuurlijk iets van het kwajongensachtige, het provocerende bewaren: hij blijft wat in de weg lopen van wat algemeen als salonfähig wordt beschouwd of als ‘goede smaak’ wordt omschreven.

Ik kan het moeilijk laten om eerst dit werk binnen een literair-historische context te
plaatsen. De Laere past in een kleine traditie. Om me tot enkele Vlaamse dichters te beperken: deze poëzie continueert de lijn die ik meen te (h)erkennen die zich aftekent vanaf Gaston Burssens (de dichter van ‘French en andere Cancan’), Gust Gils (in wiens werk Burssens duidelijk mee vibreert) en Paul Snoek (vooral de mallotige Snoek van ‘De heilige gedichten’ en ‘Gedrichten’). Met Burssens deelt De Laere het woordspel en de taalspot, met Gils de sarcastische onderkoeling, met Snoek de hyperbolen: met alle drie heeft hij dus de neiging tot een soort grillige ontregeling gemeen. Uiteraard mixt en samplet De Laere dit alles tot een heel eigen cocktail. Met Snoek valt de smaak voor het groteske op maar zeker ook de zin voor het mythische. En hier en daar ontwaart de lezer in de verte en op een zeldzame keer een stilistische echo van Snoek op het syntactische niveau:

(...) een heerlijk verkeren
in een melkwit landschap
waar geesten hebben gesmeed
een warm complot

Ik wil hiermee enkel aangeven dat dit soort werk binnen de Nederlandstalige poëzie niet zomaar uit de lucht komt vallen.

Zoals in vorige bundels omspant de bundel (die uit een veertigtal gedichten bestaat) één consequent uitgewerkt thema. De achterflap verklapt dat de dichter het over mensen in extreme situaties heeft en ‘verkent wat de mens aankan’. Hij heeft het over ervaringen die ‘op de rand zijn’. Het alles of niets van het absolute. Situaties waarin iemand zich op een existentieel keerpunt bevindt. In het gedicht ‘Vrijduik’ staat het zo te lezen:

Hij klaart op tot het keerpunt,
tot de rand van het bewustzijn


De situaties omhelzen een zeer breed kader: van koorddansen tot kraakpanden, van encefalomyelitis tot insomnia, van killing field tot mijnramp. Stuk voor stuk invullingen die (intelligent en subtiel) passende, gelaagde verwoordingen krijgen. De Laere geeft blijk van empathie. De bundel had ook ‘Inlevingen’ kunnen heten.

Wat opvalt zijn de actuele motieven die een eerder sociaal bewogen karakter hebben. ‘Bengaals leer’ heeft het over de wantoestanden in leerlooierijen van Hazari Bag-wijk in Dhaka, Bangladesh; ‘Bloeddorst’ heeft het over beurspeculanten in de ‘city’ en eindigt met de volgende knarsende verzen:

Zelfs al zijn we lief,
we blijven haaien.


Er is een gedicht over daklozen en vluchtelingen. De Laere schrijft poëzie die niet buiten de tijd staat.

Deze gedichten hebben heel vaak een ontmaskerend effect. Niet alleen op het maatschappelijk vlak maar ook het passionele wordt niet ontzien. Het openingsgedicht ‘Drang’ bijvoorbeeld. De seksuele drift staat centraal. Roesbeleving wordt vastgesteld maar evenzeer de confrontatie met de ontnuchtering: daar komt de spelbreker die ‘relativiteit’ wordt genoemd bijna demonisch opduiken.

(...) de speed van de liefde.
al van bij de eerste kus
was er die focus.
Maar ook de waan
van de eeuwigheid.


Deze poëzie vertoont een bitsig moralistisch cachet.

Het mytisch-religieuze krijgt ook een plaats, gedijt over heel de bundel. (Overigens ook over al zijn eerder gepubliceerde bundels). In ‘Axis Mundi’ (de wereldas) maken we de geboorte van de mondige (holen)mens mee:

Hij opent de poort van woorden
en tekent lijnen in een grot,
verbindingen die zich openbaren:
hij is klaar voor het grote werk.


Het religieuze vinden we bijvoorbeeld terug in het opvallende gedicht ‘Affaire’ waarin de verhouding Christus en Maria Magdalena de hoofdrol speelt. Een prosopopoeia die woorden in de mond legt van Maria Magdalena. De titel lijkt een soort profanatie aan te geven. Maar zo is het niet: het gedicht staat ver van de karikatuur af. De dichter hanteert het als een thema zoals een ander, buigt het tot een hedendaagse omstandigheid om. Nog andere gedichten verwijzen naar het religieuze: ‘Job’, ‘Toonzaal’, ‘Het verbond’ (waarin het acrostichon ‘Gij zult niet doden’ is verwerkt).

De Laere geeft spaarzaam blijk van zin voor het hyperbolische, wat hier en daar een mooi en soms (gewild of ongewild) provocerend effect sorteert (zoals in het gedicht ‘Affaire’). Ik zou haast durven zeggen dat dit De Laere tot een dichter met een sterke mythische potentie maakt.

De gebruikte stilistische en poëticale middelen zijn vrij eclectisch: van verfijnd tot rauw, van understatement tot kreupelrijm (en binnenrijm en rijm). Uit ‘IJslandvaart’:

Als we slapen slapen we
Met neuzen aan enden
We zijn gejaagd
Op zoek naar benden

Er vallen fraaie formuleringen te rapen zoals bijvoorbeeld in ‘Pelgrimage’:

Hij onderneemt een queeste
langs vreemde landschappen
en daalt trappen af
naar de kwintessens
van zijn geest.


Maar vooral de taaie formuleringen blijven in de oren van de lezer klinken. Onder meer het gedicht over het concentratiekamp van Breendonk. Deze poëzie suggereert vaak het gewelddadige: helemaal onze wereld zoals ook het dagelijkse journaal het ons laat bekijken.

In de woordkeuze wordt wel eens naar een wetenschappelijk taaleigen terug gegrepen, telkens in een correcte context overigens: het zijn niet zomaar vrijblijvende termen waarmee luchtig gejongleerd wordt. Een kleine greep: ‘vector factor’, ‘nucleaire capaciteit’, ‘terraformen’, ‘hominiden’... De achterflap heeft het over grenswetenschap. Wetenschap die het niet is. Eerder intuïtief dan methodisch. (Het experiment waaraan De Laere zich waagt is er een, zoals gezegd, van empathie.)

Daarnaast valt uiteraard de Engelse terminologie op. Fragmenten uit songs, sociale media en - vermoed ik - managementsjargon (dat op zijn beurt dan weer is geïnspireerd op een militair taalgebruik), games, het virtuele in brede zin. Een kleine greep: ‘Play.Fast forward’, ‘setting’, ‘sky high’, ‘mind-blowing’, ‘getrackte flashback’...

De combinatie van dat wetenschappelijke en Engelse idioom zorgt voor een zeer grote onderkoeling van de gedichten: ze wekken een harteloze, mechanische en technologische wereld op. Laat het duidelijk zijn dat het niet de dichter is die koud en afstandelijk is, wel de wereld die de dichter ons laat zien. Want met die onderkoeling hebben sommige recensenten en lezers blijkbaar last. Ze vereenzelvigen de dichter met die onderkoeling. Ik vrees dat hen een belangrijk element ontgaat: onder die onderkoeling broedt het venijn van een cassante ironie. Het is dus maar een schijnmanoeuvre: het heeft de kracht van de aanklacht. Ze confronteert, ze wijst op dreigend gevaar. Soms is ze distopie.

Nergens wordt die distopie zo duidelijk als in het afsluitende gedicht van de bundel, het pièce de resitance van het geheel, een podiumtekst pur sang, het in zijn drum meeslepende ‘Olem Golem’ (ik ben je slaaf, ik ben je werker) waarin een wereld wordt omschreven waarin elke vorm van authenticiteit is geweerd en er enkel plaats is voor slaafse uniformsering. Een wereld gereduceerd tot ‘algoritme’, ‘voorprogrammatie’, ‘ultieme formulering’. We weten dat een maatschappelijk bestel dat enkel haar zogenaamde ‘ultieme formulering’ duldt, pijnlijk eenzijdig uit kan vallen en gekenmerkt wordt door een efficiënt gevangeniswezen. Poëzie bewijst dat er geen ultieme formuleringen zijn, maar dat alles – tegen stagnatie in –voortdurend op dialectische wijze geherformuleerd moet worden. Dit moet de ijver van de poëzie zijn en het is de ijver van De Laere.

De gedichten van De Laere houden stand, zowel op het podium als onder de leeslamp. Geen innoverende, wel verdienstelijke poëzie die zeker wat meer aandacht verdient.


© Alain Delmotte


In uiterste staat’, Frederik Lucien De Laere Uitgeverij Vrijdag, 2016, Isbn 9789460014642.


Deze recensie maakt deel uit van een ruimere bespreking die Alain Delmotte wijdt aan 'In uiterste staat' en die zal verschijnen in "Jaarwerk MMXVI", het tweede jaarboek van de VWS (Vereniging van West-Vlaamse schrijvers). De voorstelling van "Jaarwerk MMXVI" gaat door op zondag 27 november 2016 om 10:30 uur in de Studio van CC De Steiger in Menen. Meer info daarover volgt nog maar je bent nu al welkom!

Vereniging van West-Vlaamse schrijvers op Facebook

maandag 12 september 2016

Over 'Tot er woorden waren, waren we niets' van Jos van Daanen

Recensie Frank Decerf

Over liefde... Over vaders, over filosoferen: hoeveel dichters hebben al niet hun heil gezocht in deze onderwerpen? Waarom vinden heel wat dichters het noodzakelijk om hun ”moeders” en “vaders” in versregels vast te leggen? Ook Jos van Daanen sluit zich bij deze club aan. Ik hou mijn adem in…

In de cyclus ”… en over de liefde” concentreert de dichter zich vooral op de vertwijfeling en de onzekerheid. In zijn verzen roept hij een afstandelijkheid op en houdt het mysterie gaande. Het verlangen naar onmogelijkheden vormt de ondertoon. Eenzaamheid de saus die alles moet binden. Het isolement als krachtig wapen. Van Daanen schrijft loepzuiver en zijn originele invalshoeken brengen verfrissing. Hij selecteert zijn bouwstenen heel secuur om tot stabiele constructies te komen. Hij houdt de lengte van zijn gedichten streng onder controle.


Vertraging

In een bushokje kun je best
zonder gedachten zijn. Je kunt uitkijken
over het zware water van de vaart
en toezien hoe ijs zich in grote lijnen
naar de oppervlakte schrijft. Je kunt ook
de bus missen.

In dit bushokje kan ik vanaf de wal
lezen wat je zei. Een enkele lange zin
die naar de Noordzee leidt,
maar die voorbij de brug al niet meer
bij me binnendringt. Hoe lang de bus ook
nog niet rijdt.

De andere kant op is
de eeuwigheid, de horizon van niets,
de bus en de bestuurder
die hoofdschuddend
in de richting van het verdwijnpunt glijdt.


In “... over vaders (ook als die op water lopen)” vormt herinnering de hoofdcomponent; de dichter gaat terug naar het verleden, vrijt met wat broze nostalgie. Ook hier is er vooral de onmogelijkheid tot communicatie sterk aanwezig. De afstandelijkheid blijft een sterke barricade waarover je moeilijk heen raakt. Zelfs met de mobiel lukt het niet, cfr. Wat een vader zijn zoon nog appen kan. De trage aftakeling en het eindelijke vertrek probeert de dichter aanvaardbaar te maken. Respectvol voor wat was. Inzichtelijk sterke analyses over wat niet te stuiten is. Ooit is het voorbij, alles moet een einde kennen.

De bundel wordt afgesloten met “... en over denkingen en wegingen”. Hier is het houvast zoek. De mens die twijfelt, maar toch blijft zoeken. De optimist die niet opgeeft. Voor wie van abstraherende poëzie houdt, is dit een reeks gedichten die je moet gelezen hebben. Zo ook “Omlopen”.


Tot er woorden waren, waren we niets, Jos van Daanen, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, 2016, ISBN/EAN 978-90-76644-77-6


© Recensie: Frank Decerf


zondag 11 september 2016

Beheers de maskerade (6/6) - Philippe Cailliau

6.

Alert leeft hij in zijn vervormd bestaan. Ach wat:
geleegd zijn mantra’s niet aan hem besteed. Vermomd
is alles, maskers van papier-maché zijn echt.
Het winterpak blijft onverwarmd: zijn wade wacht.

Zo keert hij weer naar doeken die van woede erg
verwaterd zijn - verbleekt. Voor zijn vizier zoekt hij naar
vleugelmoeren die voorkomen dat zijn blik gesloten wordt
bij elk gelogen woord. Volgens de regels van het bacchanaal
zal elke dorpsgek zijn geheimen in een witte kist bewaren.
Ook hij, de lichtbewaker van de straat. De luiken blijven

toe mevrouw. Met mateloze woorden heeft hij dit gedicht:
bezwering zit in de formule. Verzilveren laat poëzie zich
nooit. Vermurwen evenmin. Niet door vertedering,
niet door het wit tussen de regels op het witte blad.



© Philippe Cailliau



Uit de bundel ‘Tot de stenen wortel schieten’ die verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en die op zaterdag 24/9/2016 wordt voorgesteld in Oostende.



zaterdag 10 september 2016

Beheers de maskerade (5/6) - Philippe Cailliau

5.

Een inbreker is hij in eigen droom en slaapvertrek.
Vermagerd, dun alom: hij wordt een grijsaard die
vernedering verwart met overwinningsroes, en
schroom verschuift naar de archieven van verval.
Vertrapte hoop. Zijn vingers die verstrengeld zijn met
een geamputeerde hand: gestold is de verbijstering!

De tijd verstrijkt, heeft lange tanden. Vervangen wordt
hij weldra door een nieuw bestaan: het afgestorven
wezen implodeert, zijn zuigpomp maakt één rimpeling.
Een mens, toch wat versleten nu, en zonder vergezicht,

verwoordt als verse wonden nieuwe binnenrijmen.
In code worden mails verstuurd, bezorgde woorden over
wat nog komen zal. Verhalen zijn verziekte beelden en
gebeden van sjamanen. Zijn niet verwacht hiernamaals is
voor morgen of misschien de dag erna ... Een hoofd
in taal kan ladingen vermoedens en verschrikking bergen.



© Philippe Cailliau



Uit de bundel ‘Tot de stenen wortel schieten’ die verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en die op zaterdag 24/9/2016 wordt voorgesteld in Oostende.



vrijdag 9 september 2016

Beheers de maskerade (4/6) - Philippe Cailliau

4.


Niets blijft. Hoe vreemd door overlevingsdrang is
het verbrede hoofd. Wanneer de jongensjaren en
de dorst weer zijn verpakt, wordt hem een stempel
opgeplakt: een aarzelaar is hij, een die zijn ziel heeft

schoon geschrobd. Zijn taal beschermt met zachte
lettergrepen argwaan die uit menselijk gedogen groeit.
Maar wie begrijpt zijn brabbels nog? Ondanks de
roerloosheid die hem verlamt, wordt door zijn schreeuw
de keel vervormd, verslikt hij zich. De twijfel wordt verdicht,
nu kwetst geslepen woordvertoon. Verbluffing echoot

in de mond! Het vangnet van vergeten wensen was hij
ooit. Zijn lijf een brandraam, enigma in vale kleur. Nu
wordt het vuur gedoofd, de onrust opgepookt waarmee
zijn erfrecht aan vergetelheid en leugens wordt gelinkt.



© Philippe Cailliau



Uit de bundel ‘Tot de stenen wortel schieten’ die verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en die op zaterdag 24/9/2016 wordt voorgesteld in Oostende.



donderdag 8 september 2016

Beheers de maskerade (3/6) - Philippe Cailliau

3.

Liever het zout van natte huid dan hese stembanden
bij nacht. Het smachten naar verlangen vraagt zo veel
als tomeloze hunker naar de glijval op het stramme,
hard bevroren water. Geen oevers, niets beschut.
De schroom nog jonger dan de blik van aarzeling.
Wind mij in windels, lief, en wind me op.

Omzwachtel mijn verzwikte enkels tot ik niet meer
rol, maar andermaal door dromen word geveld.
Vermalen trots. Verdomde ruis als beeldballast.
Verpletterd heb ik elke vinger die de deur ontsloot.

Vergrendeld wordt vooral de mond met synoniemen
voor verzoening. Rechtlijnig komt de opwinding, de
verontwaardiging. Geen vertrouwen is er nog, want
het lijkt op. De schijn is inderdaad verkleurd. Je heupen
doen alsof je danst, je bent verdroogd als een oud blad:
verlept in het vergiet van zekerheid, gescheurd, teloor.

© Philippe Cailliau



Uit de bundel ‘Tot de stenen wortel schieten’ die verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en die op zaterdag 24/9/2016 wordt voorgesteld in Oostende.



woensdag 7 september 2016

Beheers de maskerade (2/6) - Philippe Cailliau

2.

Je geheimen: verkoop ze nooit. Je vernietigt
wat door angst verbonden is met hoop, en
herhaalt gramschap. Wat niet verhaald mag zijn:
dit vers, taalkundige verspreking en verlossing ook.

Onthoud wie anderen lief heeft. Vermeld worden mijn
wantalen alom. De sjamaan is ik: ik prevelt eindeloos.
Vertel daarom wat mij verboden is: verbeter me, of
niet. Vergeet mij en verbrand mijn macht, verpulver
mijn versteende hoop: zij biedt geen onderdak.
Creëer formules die het leven met een dag verlengen.

Mevrouw: verzorg je doodgaan goed - en minutieus
vooral. Verdaag het vonnis niet, verdiep je in de stilte
zoals poezen diepte mijden: verzonken als een sfinx.
Verga niet. Versnijd, verdeel de chaos als een taart.



© Philippe Cailliau



Uit de bundel ‘Tot de stenen wortel schieten’ die verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en die op zaterdag 24/9/2016 wordt voorgesteld in Oostende.



dinsdag 6 september 2016

Beheers de maskerade (1/6) - Philippe Cailliau

1.

Verstillen wil ik je, mijn vrouwelijke vriend. Verspreid je
onder wie je koestert, vertoon je in je zelfverzekerdheid.
Verkommer niet in schimmels na genot. Verberg je
reeksen van vertwijfeling en overleef. Ruik rond. Hou
van. Beheers je maskerade die geen maskerade is. Verdeel
je waakzaamheid en eet: verleer verteren niet opnieuw.

Want het verderf: het komt. In je geïsoleerde ruimte voor
verhoor verblijf je wezenloos; verraad geen schaduwgeest.
Verover de verwoeste leegte niet; niets is vergeefs. Verspil
geen tijd. Wie veel verwenst, verspeelt zijn resistentie.

Til emmers tot het water aan de kin. Verdrink liefst niet,
en met verstomming ben je wel. Er is veredeld vuur
in ons, ook verontwaardiging. Het best op tijd ontsnap je
aan verstandsverduistering die dromen rooft. Verken
het leven van wie jou het graf toewenst: verdachten
moet je vragen stellen, steeds dezelfde vragen stellen.



© Philippe Cailliau



Uit de bundel ‘Tot de stenen wortel schieten’ die verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en die op zaterdag 24/9/2016 wordt voorgesteld in Oostende.



maandag 5 september 2016

Philippe Cailliau - Tot de stenen wortel schieten


Philippe Cailliau blijft in zijn tweede carrière als dichter niet bij de pakken zitten. Gedebuteerd in de jaren zeventig onderbrak hij na de publicatie van "Compagnie van de Internationale Amnestie" in 1982 slechts twee keer het stilzwijgen. In 1997 verscheen "Randstad living - Impressies van een slaapstad", een

 
















wat spaarzame bundel en in 2007 dook hij opnieuw op met "Zwijgboek". In 2013 liet hij met de bundel "Het boek Nul" (gedichten 2007-2012), met veel zorg en liefde verschenen bij Kleinood & Grootzeer, opnieuw van zich horen. En niet zomaar, maar Loud & Clear! Waar het voor de dichter op stond moesten we weten! Al in 2014 was er een opvolger. Meer dan sprekend met een steenzeefstem trok Cailliau in "Niets verloren" (gedichten 2012-2013) zijn hervonden poëtisch register nog wijd en weidser open. En straks wordt op 24 september 2016 in Oostende, waar hij sinds 2015 is gestrand, "Tot de stenen wortel schieten" (gedichten 2014-2015), zijn tiende dichtbundel voorgesteld.

Digther-redacteur Paul Rigolle zal er de bundel inleiden. Het wordt een voorstelling met een feestelijk randje want veertig jaar dichterschap is meer dan een goeie reden voor wat gepaste blijheid in dit leven.

De komende dagen publiceert de Schaal van Digther als bijzondere voorpublicatie uit de bundel de cyclus 'Beheers de maskerade'. Zes dagen lang een gedicht, warm en levend, als een 'waarheid van Cailliau'!


























Uitnodiging:
Voorstelling 'Tot de stenen wortel schieten'van Philippe Cailliau - Zaterdag 24/9/2016 om 14:00 uur in het Forum van de bibliotheek Kris Lambert, Wellingstraat 7, 8400 Oostende.

Schepen van cultuur Bart Plasschaert verwelkomt, Paul Rigolle leidt in en Philippe Cailliau leest.

Meer info: Kleinood & Grootzeer waar men graag over jouw komst vooraf een seintje krijgt.

Thuissite Philippe Cailliau
Thuissite Kleinood & Grootzeer



vrijdag 2 september 2016

Zijn woord - Maarten Embrechts

We mogen niet meer krassen in ons eigen vel
Een schoon lichaam moeten wij hem schenken
I.p.v. van regels in ons lijf moet een lam sterven

Men heeft ons verkocht aan een god die schrijft

Zijn woord het betekent ons als het dier diep
in ons huilt En hoezeer we ’s nachts ook tegen-
schrijven er moet geofferd worden op een berg


© Maarten Embrechts


Uit de bundel 'Vel' die verschijnt bij Uitgeverij de Vries-Brouwers en op zondag 25/9/2016 wordt voorgesteld.


donderdag 1 september 2016

Tate Modern - Maarten Embrechts

Soms lokt een spoor dat door een ander
landschap trekt De driehoek het vierkant
de cirkel wil ik dan als speelgoed hebben

En ook een beetje verf voor een gevecht
Let wel Ik wil geen ijs tot water schuiven
Maar in het onverteerde wat lijntjes leggen

We hebben teveel hersens Voor onze maag
is er geen plek Daarom s.v.p. even geen
letters maar boksen in Tate Modern


© Maarten Embrechts


Uit de bundel 'Vel' die verschijnt bij Uitgeverij de Vries-Brouwers en op zondag 25/9/2016 wordt voorgesteld.


woensdag 31 augustus 2016

Tekort - Maarten Embrechts

Ik leef te kort De buren spreken schande Ik
ik moet als vader En hij hij wil voortaan ma-
man na-apen Zo erg is het met ons gesteld

En toch wil ik iets anders over vaders kwijt

’s Nachts knagen vaders aan onze darmen
Ze komen spoken in ons huis Wij wij hebben
al hun kleren aan En toch wil ik iets anders


© Maarten Embrechts


Uit de bundel 'Vel' die verschijnt bij Uitgeverij de Vries-Brouwers en op zondag 25/9/2016 wordt voorgesteld.


dinsdag 30 augustus 2016

Maarten Embrechts - Vel - Voorpublicatie

Maarten Embrechts (°1946) kan en mag je als dichter veeleer een laatbloeier noemen. Pas vanaf 2008 publiceerde hij achtereenvolgens in de literaire tijdschriften Meander,
De Brakke Hond, Het Liegend Konijn, Digther, De Contrabas en Gierik & NVT. In 2010 en 2011 werd zijn werk genomineerd voor de Melopeeprijs. In zijn debuut: Dagen van koffie en van brood (2014), speelt de moederfiguur een centrale rol. Twee gedichten hieruit werden door Peter Vandermeersch opgenomen in de bundel: De 100 beste gedichten van 2015. In zijn tweede bundel: Vel, staat de vaderfiguur dominant op de voorgrond.

De bundel die verschijnt bij Uitgeverij De Vries-Brouwers wordt op zondag 25/9/2016 voorgesteld bij Rosario, Poreel 10a, Bever. (Bij voorkeur parkeren aan de kerk!). Aanvang: 11 uur. Het wordt een concertante presentatie. Lucienne Stassaert zal de bundel inleiden. Paulus van Kruijssen speelt fragmenten uit de partita 1 in d klein van J.S. Bach. Fransje Dorst sluit af met de nocturne opus 55 nr.2 van Frédéric Chopin. Na de voorstelling wordt er een gratis koffietafel aangeboden. Deelname aan de koffietafel vooraf melden aan info@rosario.be

Op donderdag 13 oktober volgt er nog een presentatie in galerie De Zwarte Panter (Antwerpen). Vel zal er samen met De Rouwvlinder worden voorgesteld, een publicatie van Jos Daelman. Aanvang: 20 uur. Iedereen is van harte welkom.

De Schaal van Digther publiceert vanaf morgen drie gedichten uit Vel in voorpublicatie:

Tekort
Tate Modern
Zijn woord

Meer info en bestellen: Uitg. De Vries-Brouwers
Maarten Embrechts bij Digther


maandag 29 augustus 2016

Over de dichter Leopold M. Van den Brande - Frans Deschoemaeker

(brief aan Herwig Verleyen)

Oudenaarde, zondag 17 januari 2016


Goede vriend Herwig, correspondent in het kakelbonte maar wegzinkende Brugge,

Jouw portret van de kunstenaar als bejaarde wielertoerist, de foto van de dichter Leopold M. Van den Brande, die je eigenhandig nam, vorig jaar, in zijn beluikje te Mechelen, is waarlijk een document. Wie zou in deze krasse knar in zijn aftandse wielerplunje met die gerecycleerde koersfiets de ooit befaamde dichter van Alchemie van de roos en De kooi van Faraday herkennen? En toch is dit stellig Van den Brande. Omdat hij er zo atypisch uitziet voor een coureur. Hij heeft meer van de monolithische pedaalstamper dan van de gestroomlijnde, in een flashy windjack geperste wielertoerist. Bovendien zie ik niet zo dadelijk een andere wielertoerist op zijn borst de publiciteit voeren voor de ASLK/CGER, een instelling die al minstens 15 jaar niet meer onder deze naam bestaat. (Prangende vraag die hierbij in mij opkomt: hoeveel wasbeurten kan zo’n wielerplunje eigenlijk doorstaan?) Voorwaar, goede vriend Herwig, een tot nadenken stemmend document.

Zelf heb ik minder dan een handvol herinneringen aan persoonlijke ontmoetingen met de dichter Leopold M. Van den Brande. In een tijdspanne van veertig jaar hebben onze wegen elkaar niet meer dan welgeteld drie keer gekruist. En weer moeten de archieven open.

Op 21 maart 1975 om half negen in de avond ontving ik in de Conferentiezaal van het Dendermondse stadhuis uit handen van juryvoorzitter Hugo Brems de poëzieprijs van het Davidsfonds Dendermonde en het tijdschrift Hagelslag. Ik was daar met mijn zus, zelf had ik nog geen auto en geen rijbewijs. Het was mijn eerste literaire prijsuitreiking, mijn eerste publieke optreden, mijn eerste outing, mijn eerste poëzielezing op een podium, het zou nog vier jaar duren vooraleer ik met een bundel officieel in de letteren zou debuteren. Dat ik mij onwennig voelde is een understatement. Blood stond ik daar, en bloot. En deze prijs, mijn prijs, werd die avond gecontesteerd door een dichter waar ik naar opkeek: toen Leopold M. Van den Brande op het podium geroepen werd om de tweede prijs, een aanmoedigingsprijs, in ontvangst te nemen, klonk het vanop één van de achterste rijen scherp en duidelijk: Leopold M. Van den Brande weigert de prijs! Geroezemoes in het publiek. Dendermonde had zijn literair schandaal! Het belette de dichter en zijn entourage niet naderhand uitgebreid te borrelen op de receptie, maar onze wegen hebben elkaar die avond eerder ontweken dan daadwerkelijk gekruist.

De vierde poëzieprijs van de stad Izegem werd uitgereikt op vrijdagavond 7 november 1986 in het cultureel centrum aldaar, ter gelegenheid van de jaarlijkse Izegemse boekenbeurs. Leopold M. Van den Brande was die avond laureaat. Ik verwierf de tweede prijs. Wie in die jaren meedeed aan poëziewedstrijden kwam gegarandeerd Van den Brande op zijn weg tegen. Naast de bescheiden geldprijs kregen de beide laureaten ook een indrukwekkend boekenpakket overhandigd, dat slechts met de grootste moeite tot aan het station te torsen was. In de trein van Izegem naar Kortrijk onderwierp Van den Brande die stapel aan een vluchtig onderzoek en wat hem niet aanstond keilde hij terstond door het open raampje de nog milde herfstnacht in. Bij aankomst te Kortrijk was de klus geklaard. Veel hield hij niet over. Ik reis graag licht, was zijn commentaar.

Op woensdag 18 november 1987 interviewde ik de dichter te Kortrijk in het kader van de literaire avonden van Mayapan. Dit evenement is vereeuwigd op een foto, waarvan
Mayapan - 18/11/1987 - Leopold M. Van den Brande (l) - Frans Deschoemaeker




















ik hier een kopie insluit. Er was aan dat interview een correspondentie voorafgegaan waarin hij me Waarde vriend Frans, en zichzelf Je Leopold M. Van den Brande noemde en waarin hij op het paranoïde af fulmineerde tegen de maffiosi van de Vlaamse literaire kritiek, de uitgevers, de kranten, de subsidieverstrekkers, enfin, de hele zwik, iedereen was tegen hem en zelfs zijn typmaschiene had het weer eens begeven. Hij schreef letterlijk: als men mij niet erkent als cultuurdrager, dan zal ik mij buiten de cultuur plaatsen.

Ook die avond te Kortrijk ging het nauwelijks over zijn werk maar des te meer over het verfoeide establishment. Kort daarna verdween hij van de radar. Van den Brande was een opmerkelijk dichter (misschien is hij dat nog steeds) maar ik kan mij niet van de indruk ontdoen, en ik betreur het, dat de mythe Van den Brande (misschien is het woord te zwaar, ik weet het) vandaag eerder gevoed wordt door dat dertigjarig zwijgen dan door het geschrevene daarvóór. De rest is leedvermaak.

Een warme groet uit het koude hart van de winter,

Je
F.D.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.