dinsdag 19 september 2017

Over ‘Meervoudig afwezig’ van Ester Naomi Perquin

Recensie Frank Decerf





















Het doorbladeren van een dichtbundel heeft iets erotisch. Het is een voorzichtig aftasten voor de kennismaking. Het is het willen kennen, het ontdekken en de raadselachtigheid van wat mogelijk kan bekoren. Vanuit die oefening krijgen we op de achterflap de uitdagende blik van Ester Naomi Perquin die ons vraagt of wij het aandurven om haar boekje open te doen.
De dichteres begint haar zoektocht naar de poëzie met een grote lading woorden, een zware vracht beelden en metaforen, uitgeschreven volzinnen en brede strofen. Waarheen zal dit alles zal leiden? Wie schreef: “ De essentie van poëzie is schrappen, alle overtolligheden streng verbannen, weglaten en simplificeren om zo echte helderheid te bekomen”?

Meervoudig afwezig vangt aan met een inleidend gedicht waarin een professor tevergeefs zijn studenten probeert te boeien. Is dit de metafoor voor de dichteres en haar publiek? Het gedicht is de aanloop naar de obligate oefening om in de wereld van Perquin binnen te dringen. De bundel telt twee cycli namelijk “De Delen” en “ Het totale”. In een parlandostijl krijgen we vooral prozagedichten die een wandeling maken doorheen een aparte leefwereld. De meeste titels geven niet veel weg. Door hun mysterie trekken ze aan en stuwen de lezer vooruit. Perquin schuwt het engagement niet.


HOE HET WAS


De soldaten aan de overzijde waren gek. Ze openen hun borstkas
en borgen onze kogels erin op. Ze openden hun schedels
en hun bovenbenen. Ze legden onze stroppen
om hun nek en gingen eraan hangen.

En wij ? We hielden stand maar wonnen geen terrein. We trokken
aan weerszijden van elk mens, we trokken aan weerzijden
van de grens. Die werd steeds langer;
een oneindig dunne draad.

We hingen er sokken aan te drogen. Vergeefs geschreven brieven
vol leugens, liefdes in code. We wisten toen al dat we
nooit meer terug – de soldaten aan de overzijde
lagen op hun rug. Ze speelden voor ons,
heel overtuigend, de doden.


Perquin drijft de spanning geleidelijk op tot een verrassende wending die gratificerend werkt. Ze creëert een universum waarin surrealisme een duit in het zakje doet. Ze zet werelden op hun kop, speelt met de geordende chronologie en schept een nieuwe vanzelfsprekendheid, ze verrijkt aldus het alledaagse. Hier en daar zorgt humor voor een kwinkslag en behoudt zodoende de luchtigheid en de leesbaarheid. De wereld van Perquin is een positieve zone; een plaats om te blijven glimlachen. Bij haar geen zwaarmoedigheid. Hier en daar krijgen nostalgische flashbacks een heel originele invalshoek. Haar relatie tot god reduceert ze tot de respectvolle essentie waar zeker plaats is voor gezonde spot.


© Frank Decerf


Meervoudig afwezig, Ester Naomi Perquin, Uitgeverij Van Oorschot Amsterdam, 2017, 9789028261631


maandag 18 september 2017

Digther in Diksmuide - de foto

Gisteren, zondag 17/9/2017 las de redactie van 'de Schaal van Digther' gedichten in Diksmuide. Twee mooie locaties werden ons deel: de Kapel van het Begijnhof en het Stadhuis. Mooi om ze op een autoloze zondagnamiddag met enkele uitgelezen gedichten te larderen! Herlinda Vekemans en Frédérik Leroy konden er wegens onvoorziene omstandigheden niet bij zijn maar ook van hen werden enkele gedichten gelezen. Op de foto van links naar rechts Paul Rigolle, Diana Freys, Hugo Verstraeten, Alain Delmotte en Frank Decerf.

"Digther in Diksmuide" - Zo 17/9/2017 - vlnr Paul Rigolle, Diana Freys, Hugo Verstraeten,
Alain Delmotte en Frank Decerf.

zaterdag 16 september 2017

Vermoeden van licht (2) - Richard Foqué


Vier gedichten uit 'Vermoeden van Licht'

(De bundel bestaat uit 4 cycli van telkens 12 gedichten: 1. De verloren tijd, 2. De instortende tijd, 3. De zoekende tijd, 4. De herwonnen tijd)


1. De verloren tijd

1.6

De zomer die niet was
die nooit wou komen
die verloren was.

Wind die rozen knakt
aan bomen fruit dat rot
ziek gezwollen in de schil
kansloos voor de maden valt.

Je hoort de daken kraken
het schuiven van de grond
en rondom water
dat van de heuvels tolt.

Je wilt dit huis bewaren
de rozen in de knop
het fruit voor later
als de winter najaar wordt.


1.12

Want veel is eenzaam
in meervoud.
De ongestelde vragen
die het leven snijden
te jong om het te dragen.

Wat was wat is
niemand zal het bergen
bewaren voor wat komt
voor dat ongeboren kind.

Weg zal het waaien
het stof op de boeken
het gruis in de haard
de kruimels in de keuken.
Alles wordt vertrappeld
waardeloze grond wat blijft.



3. De zoekende tijd

3.4

De vrouw die gaat staat
meet de afstand van binnenuit.
De plaats waar ze is
is de ruimte te veroveren
in elke stap nooit genomen
de belofte besloten
de eerste beweging
als een reeks bewegingen
al gaande te leren.

Daarom gaat zij staande
met schroom
de eeuwen tegemoet
gezichtsloos
de waarheid op zoek.
Weerloos haar begeerte
want op het gelaat
van een vreemde
is de weg geschreven
om van hier te gaan
naar om het even.


3.5

De man die gaat moet gaan
zonder ophouden alleen
want onoverbrugbaar is de afstand
die zijn gelaat tekent
zijn ogen verbijstert
de armen verlamt.

Zo omarmt hij die eerste stap
die hij ooit trachtte te nemen
bevroren sinds het begin.
Doelloos negerend
het bevel om ooit stil te staan
te luisteren
te wachten op haar.


© Richard Foqué


De voorgaande vier gedichten zijn een tweede voorpublicatie uit de bundel “Vermoeden van licht” van Richard Foqué die straks verschijnt bij Uitgeverij P te Leuven. De bundel zal worden voorgesteld op zaterdag 7 oktober 2017 om 20h00 in De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen. De dichter heet alle lezers van de Schaal van dighter van harte welkom.

Een eerste selectie uit het typoscript van de bundel werd door de Schaal van Digther gepubliceerd in de maand maart van dit jaar.






vrijdag 15 september 2017

De langst levende dichter op deze planeet - Nicanor Parra vandaag 103!

We ontvingen geen tegenbericht maar vandaag 15 september 2017 wordt de Chileense dichter Nicanor Parra 103 jaar. Hij moet zowaar op dit ogenblik de langstlevende dichter op deze planeet zijn. We feliciteren hem en wensen hem nog, tja, vele jaren.

Parra is een buitenbeentje. Hij werd beroemd met zijn ‘Gedichten en antigedichten’(1954) – ongetwijfeld Parra’s meesterstuk. Wat hij schrijft noemt hij zelf anti-poëzie. We
moeten dit wel even situeren. Die anti-poëzie mag je niet verwarren met wat Georges Bataille ‘la haine de la poésie’ – ‘de haat van de poëzie’ heeft genoemd. Anti-poëzie, zoals Parra ooit eens schreef, heeft haar bestaan te danken aan de poëzie. De poëzie wordt niet ontkend. Wat bij Bataille wel min of meer het geval is. Anti-poëzie gaat gewoon tegen de gevestigde, canonieke visies op poëzie in. Tenminste van de poëzie uit die jaren. Het werk van Parra kent geen retorische tournures, geen eloquentie. Je zoekt tevergeefs naar metaforen. Je leest dubbelzinnigheden in de plaats van expliciete meerduidigheid (die is uiteraard aanwezig maar die zit heel diep verscholen). Schuttingstaal krijgt er een plaats. Het concreet/visuele krijgt ruimte (o.m. dankzij zijn reeks ‘Artefactos’). We krijgen een provocatieve en anarchistische tekstuele mix aangeboden. Hij is de tegenpool van die andere grote Chileense dichter: Pablo Neruda. Beiden respecteerden elkaar. Al lagen ze ideologisch mijlenver van elkaar af: ze waren artistieke rivalen geen vijanden.

Opmerkelijke vaststelling: Parra is een van de eerste dichters geweest die thematisch het ecologische een bewuste plaats in zijn werk gaf.

Van Parra is er bij mijn weten slechts één vertaling in boekvorm verschenen. In 1972 was dat, een vertaling van Bertus Dijk. Ik heb het over boeken, niet over tijdschriftenpublicaties: ik weet dat K. Michel ooit enkele vertalingen publiceerde in het tijdschrift ‘Terras’, eind jaren negentig.

Hieronder een van zijn bekendste gedicht in vertaling van Dijk.


MONOLOOG VAN DE ENKELING


Ik ben de Enkeling.
Eerst woonde ik in een rots
(Daarin kraste ik enkel figuren).
Daarna zocht ik een beter geschikte plek.
Ik ben de Enkeling.
Eerst moest ik mij voedsel verschaffen,
Vis, vogels, brandhout zoeken,
(Later zou ik mij wel met andere dingen bezighouden).
Ik moest een vuur maken,
Hout, hout, waar kon ik hout vinden,
Wat hout om vuur te maken.
Ik ben de Enkeling.
Tezelfdertijd stelde ik mij vragen.
Ik ging naar een afgrond vol lucht;
Een stem antwoordde mij:
Ik ben de Enkeling.
Daarna probeerde ik mij te verplaatsen naar een andere rots,
Ook hierin kraste ik figuren,
Ik tekende een rivier, buffels,
Ik ben de Enkeling.
Maar ik kreeg genoeg van de dingen die ik deed,
Het vuur ging mij vervelen,
Ik ben de Enkeling.
Ik daalde af naar een dal bevloeid door een rivier,
Daar vond ik wat ik nodig had,
Ik vond er een wild volk,
Een stam,
Ik ben de Enkeling.
Ik zag dat zij daar sommige dingen maakten,
Dat zij figuren krasten in de rotsen,
Vuur maakten, ook zij maakten vuur!
Ik ben de Enkeling
Ze vroegen mij waar ik vandaan kwam.
Ik antwoordde dat ik geen vastomlijnde plannen had,
Ik antwoordde ginds vandaan.
Goed.
Daarna pakte ik een brok steen dat ik gevonden had in een rivier
En begon het te bewerken,
Ik begon het te polijsten,
En maakte het tot een deel van mijn eigen leven.
Maar dat zou een te lang verhaal worden.
Ik hakte een paar bomen om te varen.
Ik zocht naar vis,
Ik zocht verschillende dingen,
(Ik ben de Enkeling).
Totdat ik mij opnieuw begon te vervelen.
Stormen, donderslagen, bliksemstralen
Gaan vervelen.
Ik ben de Enkeling.
Goed. Ik begon een beetje te denken,
Domme vragen kwamen in mij op,
Valse problemen.
Daarna begon ik door de bossen te zwerven.
Ik kwam bij een boom en bij een andere boom,
Ik kwam aan een bron
Bij een hol waar ik een nest ratten zag:
Ik ben het, zei ik toen.
Hebben jullie hier een stam gezien,
Een wild volk dat vuur maakt?
Aldus verplaatste ik mij naar het westen
Vergezeld door anderen,
Of alleen.
Om te zien is geloof nodig, zei men mij,
Ik ben de Enkeling. Vormen zag ik in de duisternis,
Wolken misschien,
Misschien zag ik wolken, zag ik bliksemflitsen,
Ondertussen waren er verscheidene dagen verstreken,
Ik had het gevoel te sterven;
Ik vond enkele machines uit,
Ik construeerde horloges,
Wapens, voertuigen.
Ik ben de Enkeling.
Ik had nauwelijks tijd om mijn doden te begraven,
Ik had nauwelijks tijd om te zaaien,
Ik ben de Enkeling.
Jaren later bedacht ik enkele dingen,
Enkele vormen.
Ik trok de grenzen over
En bleef steken in een soort nis,
In een boot die veertig dagen,
Veertig nachten voer,
Ik ben de Enkeling.
Daarna kwamen er enkele perioden van langdurige droogte,
Daarna kwamen enkele oorlogen,
Gekleurde lieden vielen het dal binnen,
Maar ik moest mijn weg vervolgen,
Ik moest produceren.
Ik produceerde wetenschap, onwrikbare waarheden,
Ik produceerde Tanagra’s.
Ik publiceerde boeken van duizenden bladzijden,
Mijn gezicht zwol op,
Ik construeerde een fonograaf,
De naaimachine,
De eerste auto’s begonnen te verschijnen.
Ik ben de Enkeling.
Iemand maakte een indeling van de planeten.
Iemand maakte een indeling van de bomen!
Maar ik ontwierp werktuigen,
Meubels, schrijfbenodigdheden,
Ik ben de Enkeling.
Later legde ik mij meer toe op reizen,
Op leren, op het leren van talen,
Talen.
Ik ben de Enkeling.
Ik keek door een sleutelgat,
Ja, ik keek, zoals ik zeg, ik keek
Om een eind aan mijn twijfel te maken
Keek ik achter enkele gordijnen,
Ik ben de Enkeling.
Goed.
Misschien is het beter dat ik terugkeer naar dat dal,
Naar die rots die mij tot woonplaats diende,
En dat ik opnieuw begin te krassen
De wereld achterstevoren
Maar nee: het zou geen zin hebben.


© Nicanor Parra – vertaling Bertus Dijk uit ‘gedichten en antigedichten’ de bezige bij, 1972, amsterdam


© Alain Delmotte

woensdag 13 september 2017

Terug tot weinig woord

Bij ‘Bericht van de modernen’ van Erick Kila

Recensie: Alain Delmotte




















De poëzie van Erick Kila is er niet een die de lezer met fraaie, nette zinnetjes wil verleiden. Geen melodietjes, geen poespasjes, geen volleerde en/of uitgesponnen arabesken. De rechte lijn is in deze gedichten een verbroken en zelfs een wat verbolgen lijn. Lees het gedicht ‘Verbroken’.

voor de reis begon, wist ik
van niets en
het geschiedde dat
er zekerheid kwam en kalm
bericht van afscheid en
twijfel aan
alles

Eerste vaststelling. Met deze tekst komen we meteen in aanraking met Kila’s stijlmiddelen: beknopt, afgeknot, elliptisch, nauwelijks interpunctie, geen hoofdletters. Wat een soort ‘hoekigheid’ uitlokt bij het lezen van deze gedichten. En wat ze schor doet klinken: het bewijst dat deze poëzie in het harde existentiële is ingebed.

Deze teksten hebben hier en daar een uitgesproken gnomisch karakter. Ze formuleren kernachtig meningen, hebben iets spreukachtigs en zelfs iets raadselachtigs zoals in de volgende regels terug te vinden in het derde gedicht van de cyclus ‘Kamerpoëzie’ wat mij betreft het meest gnomische gedicht uit de bundel:

spreid elke avond
je gedachten uit op
de kleine tafel
loop dan weg


Tweede vaststelling bij ‘Verbroken’. Dat ook hier, zoals in andere gedichten van de bundel, het woord ‘niets’ opduikt en dat vaak geconfronteerd wordt met het woord ‘iets’. In dit gedicht is dat ‘iets’: ‘de zekerheid van de twijfel aan alles’. Het omschrijft de reis, de zoektocht waaraan de dichter is begonnen. Hij gaat een weg waarvan hij niet weet waarop die weg uit zal komen. Een pelgrimage naar het niets. Alvast een tocht ‘terug tot weinig/woord’.

De dichter vergaart wat er van gedachten overblijven als er geen gedachten meer zijn. Als enkel de rand ervan overblijft. Gedachten, ideeën komen voort en komen uit op het niets. En dat niets welt op uit de zekerheid van de twijfel aan alles: wat opwelt is een ‘iets’ dat doordrongen wordt met scepsis.

Scepsis wordt de aard, de paradoxale drijfkracht van Kila’s zoektocht. In de gedichten werkt die scepsis als een zuur: het lyrische élan wordt ermee ‘verbroken’. Lyriek is er misschien als nostalgie: als een herinnering aan de antieken. Die scepsis lijkt een diepte te creëren, een diepte in de wereld, een binnenin, waar het blijkbaar goed is maar die ikzelf toch wel (‘diep diep onder’) met de dood laat samenvallen:

en ken je de antieken
die bewaard worden
in verbrokkeling
in stof

De zoektocht van Kila tendeert naar het spirituele. Wat overigens in zijn vorige bundel ‘Beken!’ ook viel te onderkennen. Waarom ervaar ik Kila’s ‘pelgrimage’ als spiritueel?

Omdat - uit het donker weg - het een zoektocht is naar licht. Dit is een poëzie van en over een stoïcijns en antiek uithoudingsvermogen. Een passus uit de eerste tekst van het boekje en dat een beetje als intro dienst doet (het betreft een soort prozagedicht) wijst daar duidelijk op: ‘Al het zwart in de wereld ging in de kamer. Maar de man hield vol dat hij zocht.’ Deze tekst eindigt met de mij erg mystiek (de via negativa) aanvoelende regel: ‘In de zacht aanzwellende muziek van de wereld loste alles op.’ En er zijn die flarden introspectie die ik ontwaar, zoals alweer in kamerpoëzie (misschien wel de sterkste reeks uit de bundel):

beetje tijd voor zoiets
verwaaiende stilte
in mijzelf dauw van de nacht

Poëzie die met zichzelf eerder in conflict is: een duel tussen duisternis en licht. Tussen lyriek en nuchterheid. Niettemin kiest de dichter steevast voor de wereld: de dichter drukt zich nooit etherisch zweverig uit: hij blijft zich de wereld - met haar messcherpe kanten - voor ogen houden. Hij houdt voet bij stuk bij wat hem omringt, waar het hem naar toe brengt:

Je hebt geen ziel
nodig in de wereld
zij is een steen

laten we zeggen
dat het diep in de wereld
goed is

Dit is een niet voor de hand liggende poëzie. Ze vereist van een lezer een maximale concentratie. De gedichten meanderen in hun betekenissen: de betekenissen geven ruimten vrij. De lezer is vrij om die binnen te treden. Deze gedichten worden dan een spiegel. In de reflecties ervan herkent een lezer misschien zijn eigen trekken, zijn eigen zoeken.


© Alain Delmotte


Erick Kila ‘Bericht van de modernen’ uitgeverij ‘Kleinood & Grootzeer’ – Bergen op zoom, 2017. ISBN/EAN 978-7664-80-6 NUR 306





dinsdag 12 september 2017

25 maart 1982 - Frans Deschoemaeker

Niet ver van het wit geblakerde skelet van een geit zitten wij in de stenige bedding van een uitgedroogde rivier en proberen bij wijze van tijdverdrijf ronde witte keien kapot te kloppen in de hoop pyrietkernen te vinden (pyriet dat Berberkinderen ons gisteren langs de weg door de Hoge Atlas probeerden te verkopen). Daarnet hebben wij geluncht: koud gebraden konijn, deze morgen door onze hotelhouder in Ouarzazate toebereid, met ronde roggebroden, tomaten, en de laatste biertjes uit België.

Achter onze Renault R4, twee kilometer van de rivierbedding vandaan, rijst de oudheid op, in de vorm van de rode lemen vestingstad Aït-Benhaddou; bijbels, Assyrisch, voorwereldlijk, een stad zoals Borges hem in zijn eeuwigdurende nacht moet hebben gedroomd. Jo vertelt dat Pier Paolo Pasolini hier heeft gefilmd voor zijn Edipo re. Later in mijn leven zou ik deze locatie nog vaker als decor zien opduiken, in dromen, en in Amerikaanse spektakelfilms.

Rechts van Aït-Benhaddou strekt zich de woestijn uit. Verder naar het zuiden ligt Zagora, ons reisdoel, waar de karavaanweg naar Timboektoe begint, en nog verder Goulimine, Tan-Tan en het witte gebied van de Westelijke Sahara. Er beweegt niets. Het is onwezenlijk stil. De hitte trilt boven de vlakte. Het is 25 maart 1982.

Deze dag behoort nu tot de geschiedenis. Tot mijn geschiedenis. De dingen waren er toen. Onder het harde, unieke licht van 25 maart 1982. Misschien moet ik dat moment vasthouden, want wat voorbij is, wint later, niet in het minst door de gebreken van het geheugen en de nostalgie, aan betekenis: een middag in het niets, bij het wit geblakerde skelet van een geit, een willekeurige plek in de mij toegemeten tijd. Misschien moet ik deze dag alleen vasthouden omwille van de formule, waar ik nu, wikkend en wegend, zit aan te sleutelen. Wat niet is opgeschreven zal later blijken niet te zijn gebeurd. Misschien moet ik deze dag vasthouden omwille van de verdichting, het gedicht, want meer hebben wij niet.


© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

maandag 11 september 2017

Liedje voor Nine Eleven - Paul Rigolle


(Bij een afdruk van 'The falling man')


Zing het, blijf het zingen! In weerwil van.
Dit liedje, deze lome bloody song van vlees
en bloed. Herhaal wat geen woorden heeft.

Herdenk en verf, beschrijf de ogen in jouw gezicht
die keken met een hart dat op springen stond.
Paarser. Perplex. Voorgoed passend op de plaats.

Hoe het was later om om te gaan met.
Het woord Aftermath zoekend, vertalend,
weg te duiken, diep en duidelijk

in de dode hoek van de geschiedenis.

Niet te leren
valt het.



© Paul Rigolle


(Uit “Liedjes voor later”, cyclus gedichten in voorbereiding)


zondag 10 september 2017

Digther in Diksmuide

De cultuurraad van de Stad Diksmuide bestaat dit jaar vijftig jaar. Dit wordt op zondag 17 
september 2017 uitgebreid in Diksmuide gevierd. Hét lovenswaardige culturele motto daarbij: “Ambiance, terrassen en lokaal talent op sfeervolle pleinen in een autovrije stadskern”.
Vermits een van de Digther-adressen van vertrouwen sinds jaar en dag gevestigd is in het pittoreske Westhoek-dorp Oostkerke, deelgemeente van Diksmuide, kan en wenst ‘de Schaal van Digther’ bij deze viering in géén geval achter te blijven.
De zeven dichters die deel uitmaken van het redactiecollectief, zijnde Frank Decerf, Alain Delmotte, Diana Freys, Frédéric Leroy, Paul Rigolle, Herlinda Vekemans en Hugo Verstraeten, lezen op zondag 17 september 2017 e.k. dan ook -  voor wie dat maar wil - volop en voluit poëzie. Binnen het geheel van de Diksmuidse festiviteiten zijn er twee Digther-optredens voorzien:

Begijnhofkapel 14.00—15.00 u
Kelder stadhuis 15.30—16.30 u

Dichter of geen Digther, Culturo of niet: Iedereen welkom!

Dagprogramma 17 september2017 Ambiance, terrassen en lokaal talent op sfeervolle pleinen in een autovrije stadskern

50 jaar Cultuurraad op Facebook
Thuispagina Diksmuide: 17 september: Feest!



zaterdag 2 september 2017

Woordzee in Oostende























 


Zondag 24 september 2017
10u00 - 19u00
Oostende

Boek- en woordfestival 'WoordZee'

Vzw WoordZee organiseert op de Oostendse Groentemarkt de eerste editie van het poëtisch festival 'Woordzee'
Op het podium staan zowel lokale als nationale dichters. Uniek is dat de drie Belgische Dichters des Vaderlands: Charles Ducal, Laurence Vielle & Els Moors op het podium staan. Verder zijn er ook workshops, theatervoorstellingen en een boekenmarkt.

Ook Digther-redacteur Frank Decerf en Digther-getrouwen als Edward Hoornaert, Philippe Cailliau, Yerna Van den driessche en een pak andere dichters en boekenmensen staan op het programma!


datum: zondag 24 september 2017, van 10 uur tot 19 uur
locatie: Groentemarkt (overdekt), 8400 Oostende
toegang:
betalend (alle optredens voor kinderen en het slotconcert zijn gratis), ticketing start in de laatste week van augustus
meer info & reserveren: www.woordzee.be en www.leeshuus.be
'Woordzee' is een organisatie van vzw Woordzee i.s.m. Stad Oostende, TAZ, 't Leeshuus, de Grote Post, deAuteurs, VFL en Poëziecentrum
 

















Voor nog meer concrete info: Woordzee op Facebook
Tickets: https://www.ticketshark.be/store/woordzee

vrijdag 25 augustus 2017

Het geluk (fragment) - Angelo Di Berardino

Did you sleep well last night, my dearest Yoko?
I slept like an angel, dear John.


Terwijl het pasgehuwde stel John Lennon en Yoko Ono in de suite van het Amsterdamse Hilton Hotel wakker wordt, liggen Magnolia en Bram op deze zonnige, maar ijskoude ochtend in de Langebeemdstraat 44 nog in lepeltjeshouding te slapen. Het pasgehuwde stel John en Yoko is bezig aan een zevendaagse bed-in. Magnolia en Bram kennen elkaar nog maar enkele uren.
In Amsterdam hangen de slogans Hair peace en Bed peace boven het bed. In de Langebeemdstraat is de muur boven het bed leeg. De enen hebben hun witte pyjama aan en liggen klaar om de internationale wereldpers te ontvangen, de anderen liggen spiernaakt onder de dekens en hebben niets speciaals gepland voor vanmorgen.
Zowel de enen als de anderen hebben lang haar.
Het is donderdag 27 maart. Het jaar is 1969.

Magnolia slaat als eerste haar ogen open. Ben je wakker? Geen antwoord. Hij slaapt nog, weet ze nu. Ze blijft enkele minuten bewegingloos liggen en voelt zijn lichaamswarmte in haar rug, zijn rustige ademhaling. Het was een vreemde avond geweest, gisteren. Ze had een dagje vrij genomen op haar werk, was in haar eentje met de trein naar Gent afgezakt. Daar had ze zich ongewild gemengd in het studentenprotest dat aan de gang was. Vorig jaar in mei had ze via radio en tv van op een afstand al kennis gemaakt met de rellen in Parijs. Daarna was ze werk van Jean-Paul Sartre gaan lezen, de marxistische schrijver/filosoof die mee vooraan op de barricades stond. Ze had er wat sympathieën voor de heer Marx aan overgehouden.
Vanuit Parijs was het protest later ook naar andere universiteitssteden overgewaaid. En nu was Gent dus in de greep van het oproervirus dat zich razendsnel over de wereld verspreidde.
Er was even paniek ontstaan toen de politie gisteren op onbeschaamde wijze enkele betogende studenten tegen de grond knuppelde. Enkelen waren het café ingevlucht waar Magnolia een kom soep met brood zat te eten. Eén van die studenten had lang, sluik, lichtbruin haar en heette Bram.
Magnolia voelt beweging in haar rug. Langzaam ontsluit het lepeltje zich. Ben je wakker? vraagt ze nog eens.
Mmmmhh. Met zijn donkere, diepe stem laat hij een bevestigend gebrom horen. Ze draait zich om, staart in zijn mooie, bruine ogen en geeft hem een kus op de mond. Het was lekker vannacht, zegt ze dan.
Hij glimlacht, trekt haar wat dichter tegen zich aan, beantwoordt haar kus. Zullen we samen douchen? zegt ze.
Mmmmhh, bromt hij opnieuw.

Na het late ontbijt lopen ze samen door de stad, Magnolia en Bram. Het is al bijna middag. Om twee uur moet ze werken en vertrekt Bram met de trein terug naar Gent, naar zijn bloedbroeders, naar zijn oorlog. Weet je wat we doen? zegt Magnolia. We gaan naar het stadspark en kerven daar onze namen in de grootste boom die we tegenkomen. Elke keer als ik hier voorbijkom zal ik aan je denken daar in dat verre Gent, terwijl je bezig bent de dames en heren van de gevestigde orde op hun donder te geven, mijn rebel, mijn krijger, mijn lief. Midden op straat omhelzen en tongzoenen ze elkaar. Vanuit een voorbijrijdende bestelwagen wordt er getoeterd. Als ze onbeschroomd verder gaan met kussen, toetert de bestelwagen een tweede keer, indringender en langer dan voorheen.
Vanachter Magnolia's rug steekt Bram uitdagend zijn middenvinger op. Even later staan ze voor een dikke, hoge eik in het stadspark. Bram haalt zijn sleutelbos uit zijn jas. Dan begint hij te kerven. Eerst een hoofdletter M, dan een hoofdletter B, en daaromheen een groot hart met een pijl erdoor. Tot zijn vingers er pijn van doen.

Hoewel het een doordeweekse donderdag is in de maand maart, is het druk in de superette. Magnolia zit op haar stoel aan kassa twee, haar gebruikelijke werkplek. Van hieruit kan ze helemaal tot achter in de winkel kijken en tegelijk ook een glimp van de straat opvangen. De stoel is haar uitkijkpost. Haar arendsnest. De plaats van waaruit ze ongemerkt de wereld kan bespieden. De Oude Wereld welteverstaan, want de Nieuwe lijkt van hieruit verder weg dan ooit.
Koffie, wortelen, chocolade, keukenzout, salami, melk, scheerzeep, tomaten,... Alles gaat door haar handen en wordt zorgvuldig opgeteld. Het hele klotezootje voedingswaren en onderhoudsproducten die de volgende dagen door de bewoners van deze wijk en de omliggende straten gebruikt gaat worden. Het komt allemaal terecht op haar rolband en het wordt allemaal door haar mooie, fijne vingers vastgenomen en betast. Die hele rotverdomde consumptiemaatschappij komt zomaar eventjes dag in dag uit in een eindeloos lange rij onder haar neus voorbijglijden. En ondertussen vecht Bram zich, samen met zijn strijdmakkers, bijna te pletter, steunt hij de opstand tegen de verouderde burgerij, hakt hij zich een weg door de jungle van bekrompen ideeën, op weg naar de Nieuwe Wereld. Waarschijnlijk is Bert, haar vorige vriend, al dan niet in het gezelschap van een aantal bevallige jongedames, nu ook op een of ander ver continent met zijn revolutie bezig. En wat doet zij? Bussen shampoo en blikjes bier van 25 of 33 cl op een donkergrijze rolband van A naar B brengen en kilometerslange kasticketten uitdelen. Appelen en peren verkopen aan huisvrouwen. Flessen wijn en goedkope aftershave aan oude mannen. Snoepgoed aan kinderen op weg naar school.
Wordt de wereld daar nu echt zoveel beter van? En hoelang wil ze dit nog blijven doen?

Buiten slaat de klok van de kerktoren éénmaal. Halfvier. Magnolia ziet jonge moeders bij bosjes voorbijkomen, overdreven glimlachend, druk gebarend en onophoudelijk pratend, op weg naar het kleuterschooltje verderop. Wil ze ooit zelf kinderen hebben? Wil ze kinderen opvoeden in een wereld die vierkant draait en waarin alles eerst nog afgebroken en daarna weer opgebouwd moet worden? En zal Bram kinderen willen? Is er in zijn oorlog plaats voor baby's en luiers en papflessen en schoolgaande kleuters?
Hij zal ondertussen al wel in Gent toegekomen zijn, vermoedt ze. Zou hij zich, meteen nadat de trein hem uitgespuwd heeft, weer in de strijd gooien? vraagt ze zich toch wat bezorgd af. De strijd tussen enerzijds de stroeve, vergrijsde en vastgeroeste rectors, de meedogenloze, gewetenloze rijkswachters en dito politieagenten, en anderzijds een stuk of wat studenten die voor een betere toekomst ijveren. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor al die kleuters die nu, verstopt in hun veilige klaslokaaltjes, zitten te wachten op hun kwetterende moeders. En op morgen. De oneerlijke strijd die overal aan de gang is. Die in alle landen en in alle steden woedt, in alle straten en universiteitsgebouwen. De strijd tussen legers met helmen, gummiknuppels, waterslangen en traangas gewapende ordediensten en een handvol opstandige, protesterende, langharige tieners en twintigers. Aardappelen, afwasmiddel, limonade, gehakt, pakjes vanillepudding... terwijl Bram verder vecht... rookworst, chocopasta, mosterd... terwijl Keith Richards al maandenlang de opzwepende gitaarakkoorden van Street Fighting Man tot in de verste hoeken van deze planeet laat galmen... terwijl de wereld in brand staat... smeerkaas, gloeilampen, spruiten, kauwgom, pannenkoekendeeg, ajuin, frambozenconfituur, pruimenconfituur,... Ze heeft zin om alles op de grond te gooien, om het op een lopen te zetten, naar buiten, gillend en luid vloekend, maar ze kan zich nog net op tijd bedwingen.

De daaropvolgende dagen zullen John Lennon en Yoko Ono hun Amsterdamse vredesboodschap op plaat uitbrengen. The Rolling Stones zullen hun gitarist en medeoprichter Brian Jones verliezen. In Los Angeles zal Charles Bukowski zijn Notes of a dirty old man schrijven. De studentenstrijd in Gent zal na amper twee weken een stille dood sterven, zoals ook de Parijse rellen van '68 net voor het begin van de examens plots stopten. Het sprookje van Magnolia en Bram ten slotte zal, hoewel ze in vriendschap uit elkaar gaan, na vijf weken en drie dagen eveneens ophouden te bestaan. In het stadspark zal een dikke, grote eik nog jarenlang geluidloos staan liegen. En Magnolia zal zonder boe of bah haar job in de superette opzeggen.


© Angelo Di Berardino

Uit "Het geluk", roman, verschenen bij uitgeverij Lannoo.
Angelo Di Berardino debuteert als romanschrijver.




Angelo Di Berardino debuteert als romanschrijver

Angelo Di Berardino maakte eerder, en in een wat verder van ons afliggend verleden, naam
Angelo Di Berardino
als dichter. Hij schreef een zestal dichtbundels en publiceerde in binnen- en buitenlandse literaire tijdschriften en bloemlezingen. In 2012 werd hij onderscheiden met de tweejaarlijkse Julia Tulkens Poëzieprijs.
Als reclameman wonnen zijn campagnes prijzen in onder meer Londen, New York, Cannes en Hollywood.

Met “Het geluk” verschijnt nu van hem bij Uitgeverij Lannoo een roman! De schaal van Digther die eerder in januari van dit jaar van Di Berardino een aantal gedichten publiceerde (Herinnering 15, 33, 136 en 8) publiceert nu ook graag een fragment uit “Het geluk”.


Extern:
Angelo Di Berardino op de Meandersite
Gedichten van Angelo Di Berardino op de Schaal van Digther
Recensie van de Vadergedichten op Meander (Levity Peeters)
Uitgeverij Lannoo

https://www.lannoo.be/nl/het-geluk













vrijdag 18 augustus 2017

Magritte - Achilles M. Surinx

Als die pijp geen pijp is, dan is het
niet wat je zou willen. Mooi bedrog.
Kijken, bewonderen, koesteren, afblijven.
Dingen die ongrijpbaar zijn en blijven.

Mensen die geen dingen zijn, maar even
ongrijpbaar voor je staan,
die je bekoren en die je afweren.
Er zijn dingen die je leven overnemen.

Je keert alles om, zet het op zijn kop,
vergroot en verkleint. Een doorschijnende
vogel laat een droom vermoeden en
door de krant blijf je bomen zien.

Als alles een begin heeft, loopt er
ook een weg naar het einde. Onderweg
kom je verloren engelen tegen,
achter je ligt een leeuw. Je ontsnapt.


© Achilles M. Surinx


Gedicht n.a.v. de verjaardag van de sterfdag van René Magritte.


vrijdag 11 augustus 2017

De loeiende tier - Mark van Tongele

Een nieuwe dichtbundel van Mark van Tongele is, noch min noch meer, altijd wel weer een gebeurtenis. Op zondag 27 augustus 2017 wordt om 11:00 u. in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen met nogal wat daadkracht 'De loeiende tier' voorgesteld. De ietwat gezwollen aankondiging liegt er alvast niet om. Wij citeren, omdat we de poëzie van Mark van Tongele hier een warm Digther-hart toedragen, graag wat volgt:

In zijn nieuwste bundel De loeiende tier gaat de poëzie tekeer als een storm voor de kust van Oostende. Dit is spectaculaire poëzie, zoals ze nauwelijks nog gemaakt wordt - maar wie in deze tijd gedichten schrijft, zou niet voor minder dan het onmogelijke hoeven proberen. En dat doet van Tongele, met zeldzame bezieling, en in gedichten waarin de taal tot het uiterste wordt beproefd en beelden over elkaar tuimelen tot een woest geheel.

'De loeiende tier' is een uitgave van Atlas Contact. Toegang tot de voorstelling bedraagt 3 euro en inschrijven daartoe kan via bestelling@dezondvloed.be.

Meer info: Boekhandel De Zondvloed



vrijdag 4 augustus 2017

Het boekje van de dichter - Walter Haesaert

















"Sommige boekjes van de dichter bestaan uit kleine notities die net in een vestzak passen".
Walter Haesaert schrijft zuinig en wel... Velletjes tegen het vergeten!
(Foto van de auteur: Paul Rigolle-16/11/2015)


Alle "Boekjes van de dichter"

woensdag 2 augustus 2017

de wisselbokaal - Bert Struyvé

meidenvingers vertellen in letters en smileys
wat de wereld nú moet gaan weten
de tekens zijn inhoudelijk levendbarend

woorden springen kwetterend uit hun huid
als jonge vogels die om hun moeder roepen
de vrienden zullen het wel begrijpen

oud proza zit aan de slapen vast in grijs
beitelen of kleuren blijft steken in velours

de hier-nu-meteen klatert als bergbeek
de leunstoel weidt uit als een vlakke rivier
het Zuckerbergje tussen monding en bron



© Bert Struyvé



dinsdag 1 augustus 2017

hete adem van het blazen-Bert Struyvé


hij is de fotograaf
zegt hij
zij woont ademloos in haar bol
dan wordt het zwart-wit besluit hij
en sneeuwt haar uit de zevende hemel
zij verzit voor de vorm voor het oog
kun je de vlokken van je mantel vegen
zij bevriest haar glimlach en antwoordt
je moet schudden en draaien
van verre lijkt het op het Bolsjojtheater
ik maak een uitsnede in Lightroom zegt hij
je begint kleur en praatjes te krijgen
zij is het model
zegt zij
hij houdt vast aan zwart-wit




© Bert Struyvé 



Bert Struyvé publiceerde eerder in Meander, Gierik & NVT, Op Ruwe Planken en Het Gezeefde Gedicht. In 2016 met drie gedichten in de bloemlezing van HGG. In 2014 en 2016 op de shortlist Ongehoord Rotterdam, in 2017 genomineerd voor de driejaarlijkse RinkeTolmanpoëzieprijs. 
Komend najaar werd werk van Struyvé geselecteerd voor het project ‘Poëzie op straat’ in Gent.


zaterdag 29 juli 2017

Een dag uit het leven van Herwig V. - Hendrik Carette



Een heiligenleven schrikt mij af.
(Michel Bartosik)



Om de klok van zes stommelt hij naar beneden
in zijn verstelde vrijgezellenkleren
en verlaat zijn volgeladen stolp.

Om de klok van zeven stapt hij
op een rode stadsbus
naar Steenbrugge, naar het kerkhof.

Daar plant hij de eerste bloemen en planten
aan het houten kruisje
in de bevochtigde grafgrond boven Magda V.

Later mompelt hij minzaam
een paar woorden voor een voorbijganger
die naar een naam of een nummer zoekt.

Hij staart bijna ascetisch en versteend
naar een zwarte zwaar ingezonken tombe
met een eeuwige vergunning.

Om de klok van elf eet hij een boterham
met kruimels, drinkt buiten een glas bier
en veegt het schuim van zijn paarse lippen.

Zijn verblijf bij de doden eindigt al met het angelus.
Hij loopt naar de haag, stamelt een woord
van Gezelle en keert terug naar de zwanenstad.

Dan wacht hij op de nacht; haalt
een brief uit Canada uit zijn archief
en herleest een Japanse haiku.

Na de dagsluiting vlijt hij zich neer
op zijn veldbed
waar hij rust vindt en zaligheid.

Hij gelooft in de goedheid van zijn God
en zijn lot en droomt luid van een loofhut
of een prieel dicht bij de kerkhofdreef.


© Hendrik Carette


donderdag 27 juli 2017

Acht tips om met Afwijzing om te gaan - Marc Bruynseraede

Voor Alain Delmotte

1. Wijs af
2. Wijs met stelligheid af
3. Wijs de afwijzer af
4. Wees afgewezen
5. Wees de afgewezen afwijzer
6. Afwijzen ? Afwijzen ? Waar heeft U het over ?
7. Afgewezen worden : daar hebben wij geen boodschap aan
8. Waar afwijzing is, is vuur


© Marc Bruynseraede


dinsdag 11 juli 2017

maandag 10 juli 2017

Hemel en Hel - Frans Deschoemaeker

Wordt op oude fresco's het lot van de gelukzaligen die bij het Laatste Oordeel hemelwaarts stijgen doorgaans zoet, conventioneel en stereotiep uitgebeeld, met des te meer verve, verbeeldingskracht en perverse zin voor detail worden de verschrikkingen geëtaleerd die de hel voor de verdoemden in petto heeft. Brian de Palma's killer met de kettingzaag krijgt een verre voorafschaduwing in het duiveltje dat met een soort houtbewerkersboor het geslachtsdeel van een kermende verdoemde bewerkt. Het is, naast vele andere verfijnde folteringen, te zien op het fresco van Taddeo di Bartolo uit 1393 in de kapittelkerk van San Gimignano.

Volgde de vroege renaissancekunstenaar slaafs de kerkelijke ordonnantie dat de muren van het gebedshuis een donderpreek moesten zijn, zodat de gelovige zich huiverend tot God wendde, of vond hij in de bestraffing van het kwaad een onderwerp dat zijn onderbuik prikkelde en zijn verbeelding vleugels gaf? Vond zijn heimelijke genoegen het kwaad te stileren en te esthetiseren hier een geoorloofde uitweg? Liggen de verre wortels van het kunstenaarschap in romantische, modernistische zin, onder de bloemen van het kwaad, lang vóór die bloemen een naam en een boek kregen? Wie de demonische figuren uit het erotisch prentenkabinet van Félicien Rops bekijkt, ziet de baarlijke, gevleugelde duivel van Luca Signorelli uit 1500, die de Hoer van de Apocalyps op zijn rug meevoert door het luchtruim, door de plaat heen schemeren.

Na de tientallen kerken tijdens elke Italiëreis, waarbij Dantes inferno steevast tot leidmotief uitgroeit, met als hoogtepunten de extatische visioenen van Luca Signorelli in de kathedraal van Orvieto en van Michelangelo in de Sixtijnse kapel, weet ik het wel: het moet verdomd saai zijn in de hemel.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

zaterdag 17 juni 2017

Stills uit een taalcaleidoscoop - Alain Delmotte

Bij de bundel ‘Bokalen’ van Nanne Nauta

Nanne Nauta (1959) staat bekend als flarfdichter. De geschiedenis van flarf in ons taalgebied moet nog geschreven worden. Zelf ben ik van mening dat daarmee even mag worden gewacht: op die manier kan flarf nog wat geschiedenis maken. Maar één feit is nu al duidelijk: dat Nanne Nauta o.m. door eigen werk en zijn uitgeverij ‘crU’ (die zogenaamde ‘axiomatisch poëzie’ uitgeeft en waartoe flarf lijkt te horen) deel zal uitmaken van die geschiedenis.

Maar Nauta is meer dan dat. Hij is ook een dichter die werkt in de oulipo-lijn met bundels als bijvoorbeeld ‘Kruissonnetten’ en ‘Sudaiku’s’. Oulipo  experimenteert met vormen, zoekt naar nieuwe ontwerpen voor vormen. Nauta inspireert zich op en citeert wel eens de grote Raymond Queneau met wie hij dezelfde fascinatie voor het mathematische deelt. In zijn vorige bundel ‘Moralen’ maakte hij gebruik van een door Queneau bedachte oulipo-vorm ‘Morale élémentaire’. Ik kan het niet laten om de titel van deze bundel in de titel van ‘Bokalen’ mee te laten resoneren. Alsof Nauta ze expliciet in elkaars verlengde wil situeren?

Nauta’s bundel is één van die publicaties die je in zijn geheel moet benaderen. Dit wil zeggen in hoe de gedichten zich formeel voordoen, hoe de bundel is gestructureerd and last but not least, hoe de bundel wordt vorm gegeven en/of gevisualiseerd.

Formeel bestaat deze bundel uit gedichten van elk zeven regels. De eerste regel is de langste en geleidelijk aan worden de zinnen korter, wat het ritme in hoge mate bepaald. De zevende regel is dus de kortste en bestaat maar uit enkele woorden. De zinnen zijn grammaticaal gesproken rudimentair en elementair. Ze hebben de toon van een droge vaststelling. In de vormgeving werden de gedichten gecentreerd zodat ze uiterlijk, met wat goede wil, op een driehoek gelijken. Je kunt daarin het bovenstuk van een drinkbeker of een drinkschaaltje in herkennen (vandaar ‘bokaal’). Maar dit bevredigt me niet helemaal, ik kom erop terug. Zeven speelt duidelijk de structurerende hoofdrol binnen het geheel. Er zijn zeven cycli en elke cyclus bestaat uit zeven gedichten. De bundel bestaat dus uit 343 zinnen. Uit vorige bundels weten we dat Nauta graag met getallen speelt zoals ook Queneau en de oulipo-groep zich daarin vergenoegden. Het getal zeven lijkt vele deuren te openen wat mogelijke interpretaties betreft. Die deuren houd ik liever dicht en laat het aan de lezer over welke deuren hij al of niet wil openen. Straks open ik wel even zo’n deurtje op een kier zonder te weten of dit deurtje wel bij deze teksten past.

De manier waarop de bundel is vormgegeven: vooraan - en achteraan doorlopend - een foto van een muur. Wat een omsluitend en omsloten effect teweegbrengt. Dat wordt bevestigd door het typografisch beeld dat na de inleiding volgt: het woord ‘ik’ dat tussen rechthoekige haakjes staat. Binnen de inleiding geeft Nauta overigens aan dat dit zijn meest intieme bundel is. Dat het woord ‘ik’ tussen haakjes staat, heeft zijn weerslag in de bundel zelf: het woord ‘ik’ wordt eruit geweerd. ‘Ik’ is het onderwerp van al die zinnen maar het wordt verzwegen door het 343 keren te schrappen wat de dichter in staat stelt om de bundel niet in een eindeloos ik-gelamenteer te laten vervallen. Achteraan lezen we dat de muur op de voor- en achterflap de muur van de het oude postkantoor van Neude is en dat op basis van de letters die zich op dit postkantoor bevonden een nieuw lettertype (dat je op de voorkaft en in het typografische beeld bemerkt) is ontworpen en dat met zekere ironie de Neudefont wordt genoemd.

Ik weet wat sommigen nu zullen denken: kan je nu eigenlijk eens terzake komen, kan je het eindelijk even hebben over wat er te lezen staat – ga nu toch eens naar wat de kern van de zaak zou moeten zijn.

Welnu, dat is het grote misverstand. Dit is een bundel die tot in details een zo ruim mogelijk interpretatieveld wil creëren. Een (ludiek) speelveld. En dat het uitdenken van het speelveld deel uitmaakt van het poëtische proces: het scheppen van mogelijkheden, percepties, duidingen, zijsporen. Dus niet alleen een kwestie van tekst maar ook hoe de tekst in beeld wordt gebracht. De formele setting: hoe de tekst binnen de vormgeving wordt geregisseerd.

Maar goed, nu toch wel weer naar de tekst. Elke regel is een aparte notitie naar aanleiding van een droom. Dit weet ik dankzij de inleiding. Nauta gaat zelfs verder: sommige notities ontstonden naar aanleiding van een ‘nachtmerrie’. De vraag is of ik zonder die inleiding dat ook zo zou begrepen hebben? In ieder geval lees ik in elk gedicht zeven verschillende, soms laconieke notities die zonder verband lijken met elkaar. Vreemd genoeg, kon ik het niet laten om vruchteloos op zoek naar een mogelijk verband te gaan. Waarmee ik natuurlijk op raadsels uitkwam. En op een soort vervreemding, die eerder komisch dan tragisch uitviel. Daarom vind ik het niet echt noodzakelijk om te weten dat de notities ‘droomverslagen’ inhouden. De soms hilarische nachtmerries van de vervreemding komen toch zo op je af als je de gedichten leest.

De stilistische kracht van deze bundel ligt dan ook in de manier waarop Nauta die zinnen tactisch en meticuleus bij elkaar plaatst: een kwestie van scherp geslepen juxtapositie. Interessant vind ik de dynamiek die daarbij op twee fronten ontstaat.
Dynamiek op het formele vlak. Op zijn weblog noteerde Nauta over ‘Bokalen’ (waaraan hij op dat moment werkte): ‘Ik werk aan een nieuwe bundel die ik achterstevoren schrijf’. Ik trek daaruit de conclusie dat elke tekst ook achterstevoren kan worden gelezen. Dat heeft zijn repercussie op het ritme dat die teksten kenmerkt. Van boven naar onder, van onder naar boven. Al dalend, al klimmend. Inkrimpend, aanzwellend. De tekst blijft dezelfde maar de ritmische dynamiek verschilt. Of Nauta het zo bedoeld heeft? Dat weet ik niet maar hij lijkt me wel ruimte vrij te maken om zo’n lectuur toe te staan. Hij lijkt me een dichter die zijn lezers vertrouwt. Dichters willen de lezer verrassen. Maar evenzeer kunnen zijn lezers hem verrassen.

Dynamiek op het inhoudelijke vlak. De notities die bij elkaar zijn geplaatst ontlokken een spanningsveld dat een bizarre verwarring teweegbrengt. Wat ik daarnet als ‘vervreemding’ omschreef. Je wordt een dwaaltuin van woorden binnen geduwd en vind er maar je weg in terug. De gedichten doen je iets meebeleven. Je weet evenwel niet goed wat en dus onderga je het maar.

Kortom deze gedichten lijken stills uit een taalcaleidoscoop van eerder (geveinsd?) gratuite aard. Natuurlijk duiken binnen de bundel allerlei motieven, aanknopings- en herkenningspunten op. We lezen verschillende verhalen, we vermoeden allerlei sluimerende intratekstualiteit. Maar ik voel me niet geroepen om al die zaken aan elkaar te knopen. Ik vermoed dat ze er zijn en dat volstaat voor mij. Evenmin riskeer ik me aan een amateuristische ‘Traumdeutung’: ik heb geen zin om zo ver in de intimiteit van een dichter door te dringen.

De bundel heb ik een aantal keren herlezen en dan weer doorbladert en ik merk dat ik in deze recensie niet één regel eruit heb geciteerd. Dat maak ik goed door hieronder een gedicht te plaatsen. De reden waarom ik niet citeerde was omdat ik de lezer niet het gras van onder zijn voeten wou maaien. Ik wou mijn lectuur niet opdringen. Ik recenseer zoals ik het boekje graag heb gelezen. Ik laat de lezer van dit zeer verrassend en relatief plezierig werkstuk de vrijheid tot eigen invullingen.

Maar nog iets over de titel. Is de naam ‘Bokaal’ enkel die voor de vorm (zeven op elkaar volgende regels die in lengte steeds kleiner worden en bij visualisatie een ‘beker’ vormen)? Ik vermoed het maar ik vraag me af of ook het inhoudelijke een rol in het opzet speelt: het feit dat de regels ‘droomverslagen’ moeten voorstellen.

In mijn dialect is de eerste betekenis van een bokaal, een weckpot en in de tweede betekenis een klein aquarium, een bolvormige visbokaal. Nooit wordt hiermee een drinkbeker bedoeld.

Het lijkt me plausibel om ‘bokaal’ ook in deze twee betekenissen te hanteren, gezien het omsluitende karakter van het gegeven. En het idee van zeven regels in de vorm van zeven visjes in een bokaal vind ik bevallig.

Maar helemaal tevreden was ik nog niet. Ik ging om advies bij de familie Google en tikte ‘Bokalen zeven’ in en kwam middenin het tarot-kaartspel terecht. Bokalen zeven of bekers zeven wordt op een van die websites als volgt omschreven: ‘Bekers Zeven is een zeer complexe kaart waarvan de betekenissen op allerlei manieren dooreenlopen, zoals dat ook het geval kan zijn bij dromen. Vaak wordt de kaart gezien als een kaart van fantasie en illusie, dromen en verbeelding... (..)Bijvoorbeeld als verbeeldingskracht, visualisatievermogen, dromen, dagdromen enz., maar ook als betovering, verlokking, verleiding, fascinatie, in de ban zijn van iets.

Ik ben van nature uit zeer terre à terre en compleet tegenstander van elke vorm van esoterische en occulte quatsch. Esoterische verklaringen van dichtwerken (zoals dat bijvoorbeeld gebeurde met het gedicht ‘Voyelles’ van Rimbaud) doen de poëzie meer kwaad dan goed. Maar nu moet ik toch wel toegeven dat in dit citaat een aantal ingrediënten te herkennen zijn die ik in Nauta’s tekstwereld terug vond. Ik neem aan dat het toeval is, want in zijn inleiding refereert Nauta aan populair-wetenschappelijke werken in verband met dromen die hij las. Maar poëzie moet het toeval toestaan (zoals ik al vaker schreef). De lezer kan daar al dan niet gebruik van maken – hij kan het laten gebeuren of niet laten gebeuren.

Toch sta ik even bij dat toeval stil: oulipo richt zich op concreet formalistische experimenten. Wat niet belet dat in het werk van Raymond Queneau onderhuids hier en daar esoterische en spirituele referenties te vinden zijn (hij was vertrouwd met de geschriften van René Guénon). Ik weet niet of dergelijke verwijzingen bewust bij Nauta terug zijn te vinden. Ik lees hem (en poëzie) in ieder geval daarvoor niet. Maar ik kon het niet laten dit toch wel gelukkig en vreemd toeval te signaleren.

Met deze overdenking bij een merkwaardige bundel en met onderstaand gedicht eruit dompel ik de lezer graag onder in een bokaal van Nauta’s wonderlijk onirische universum.

6-7

zie de dichter met de bête glimlach een natte krant in de shredder stoppen.
koop in een Grieks plaatsje aubergine, prei, tomaat en aardappelen.
stap gelijk met een halve schoolkas in de bus naar het station.
help al schietend mee de stad te bevrijden.
krijg vijftig euro van een Indisch iemand.
krijg een waarschuwing van een dichter.
heb nog drie maanden te leven.


© Alain Delmotte

Bokalen, Nanne Nauta, uitgevrij crU, Utrecht, 2017, ISNB 97-90-79993-15-4; 15 euro.