vrijdag 31 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (04) - Joris Denoo

04


Mondenvol hol modernisme alom.
Tussen steeds nieuwe splinters ben jij te vinden,
te rapen. In boeken tegen het bloeden
spoel je aan als drenkeling, enkeling.

‘Ten aanval’: hoe wrang, hoe bang.
Je wereld is schier een eiland.
De golven schuimbekken en bijten.
Landing, last minute of crash: alles kan.

Het waren ook astronauten te Ieper.
Ze floten in banen om hun hoofd,
gehelmd, getekend: negentien.
En nu jij, met de helm verloren.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be/
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be/
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be/
http://ericaangel.skynetblogs.be/
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81/
http://blog.seniorennet.be/ericotonne/
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare/
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4/
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be/
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com/


donderdag 30 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (03) - Joris Denoo

03


Inpalmen, ach, waarom en voor wie?
In ’s hemelsnaam zeer zeker niet.
Evenmin in een andere naam.
De koning is rijk als hij alleen maar kijkt

Met afstandsbediening, brieven en begrip.
Met je doornenkroon om je hoofd gevlochten
en je tatoes van verleden veldslagen.
Laat je niet zalven met psalmen.

Want jij kent de aarde, en de zwaarte
van haar kracht. Die blauwe bol draait
vierkant in het rond, tot nader order.
Ongehoord valt een man overboord.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...


http://jorisdenoo.skynetblogs.be
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be
http://ericaangel.skynetblogs.be
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81
http://blog.seniorennet.be/ericotonne
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com



woensdag 29 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (02) - Joris Denoo

02


Voortdurend word je weer opgeroepen.
De middelen zijn beperkt, de overmacht groot.
Kuilen, kussens: daar draait het om.
En een ransel vol roze en blauw.

Er is een thuisfront met vrijgeleide,
binnen de perken van het marsbevel.
Je krijgt een arm, wees gerust.
We juichen bij een stelling weer ingenomen.

Deinzen en afzien is ook een tactiek.
Hoe ouder die oorlog wordt,
hoe kouder we hem in de ogen kijken.
Want jong is blind en luistert nauw.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be
http://ericaangel.skynetblogs.be
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81
http://blog.seniorennet.be/ericotonne
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com


dinsdag 28 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (01) - Joris Denoo

01


Ze zijn negentien gebleven te Ieperen.
In Werchter zijn ze weer negentien.
De ene kluit is de andere niet.
En hun tenten, graven en koorts.

De tijd staat zo stil in jou,
tenzij hij suist als een schicht.
Soms slaat hij in, soms sluimert hij.
Maar altijd is hij slapende vennoot.

Laat ons drie tenten opslaan:
jij, wij en de letteren.
Op de zuidflank van Hill 19.
Laten we knetteren.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be/
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be/
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be/
http://ericaangel.skynetblogs.be/
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81/
http://blog.seniorennet.be/ericotonne/
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare/
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4/
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be/
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com/


maandag 27 maart 2017

De oneindigheid - Giacomo Leopardi

Een poëtisch commentaar van Edward Hoornaert bij L’infinito 

Goed tien jaar geleden reisde ik met de auto richting Umbrië en de Marken, twee Italiaanse regio’s die het bij de meeste toeristen in populariteit moeten afleggen tegen Toscane als gedroomde reisbestemming, maar die qua authenticiteit helemaal niet moeten onderdoen voor het gebied waar de Italiaanse renaissance in de vijftiende en zestiende eeuw haar hoogtepunt beleefde. Umbrië, ook wel il cuore verde d’Italia genoemd, herbergt met Perugia misschien wel één van de mooiste capoluoghi van Italië terwijl de Marken, ingebed tussen de Apennijnen in het westen en de prachtig uitgesneden Adriatische kust in het oosten, met zijn rijk geschakeerde lappendeken van ontelbare heuvels én de aanwezigheid van kunst en cultuur in tal van kleinere en grotere steden niet voor niets ook soms als het ‘nieuwe Toscane’ geprezen wordt. Het is in laatstgenoemde regio (waarvan de van oorsprong Oudgermaanse naam nog herinnert aan de middeleeuwen, toen het grondgebied van de Marken nog aan de grens lag van het keizerrijk van Karel de Grote) dat Recanati ligt, een stadje gelegen bovenop een heuvel én onlosmakelijk verbonden met zijn ontegensprekelijk beroemdste inwoner die er aan het einde van de 18e eeuw geboren werd en er in het begin van de negentiende eeuw zijn jeugdjaren doorbracht, met name de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi (1798-1837).

Monte Tabor, il colle dell’infinito

Een bezoek aan Casa Leopardi, het ouderlijke huis van Leopardi, was een van de belangrijkste redenen van mijn bezoek aan de stad. Het palazzo heeft immers een prachtige familiebibliotheek die zowat de hele eerste verdieping van het gebouw inneemt en waar de schrijver in spe zich op vijftienjarige leeftijd verdiepte in de studie van klassieke en moderne vreemde talen, geschiedenis, filosofie en filologie. Wat echter nog meer tot mijn verbeelding sprak was Monte Tabor, een kleine heuvel niet ver van het paterno ostello van waaruit Leopardi vaak in alle eenzaamheid ging wandelen om zijn geest de nodige ruimte te geven. En laat het nu net de warme herinneringen aan die wandelingen op Monte Tabor zijn die Leopardi er in 1819, op amper 21-jarige leeftijd, toe zullen brengen één van zijn meest tot de verbeelding sprekende gedichten neer te pennen: L’infinito (De oneindigheid). Monte Tabor heeft er zijn bijnaam il colle dell'infinito aan te danken en in het park dat men er heeft aangelegd vlakbij het Centro Studi Leopardiani, vind je het openingsvers ‘Sempre caro mi fu quest’ermo colle’ (‘Steeds was mij deze eenzame heuvel lief’) in grote letters op een muur terug. Het is op die plek dat je, op heldere dagen, met je rug gekeerd naar de muur, vanop de op het zuiden georiënteerde heuvel de besneeuwde toppen van de Monti Sibillini kan aanschouwen. Het is ook op diezelfde plaats dat Leopardi ’s avonds de maan in al haar bevalligheid kwam bewonderen, waarvan een wondermooie impressie in Alla luna, een ander bekend gedicht van zijn hand.

Een ‘kleine beeltenis’ van het oneindige

Het gedicht L’infinito maakt deel uit van de bundel Idilli (Idyllen, 1826). Een idylle betekent letterlijk ‘kleine beeltenis’ en beperkt zich doorgaans tot een lieflijke schildering van het landelijke, eenvoudige leven, zoals dichters zich dat droomden: vredevol, gelukzalig en vrij van elke ondeugd. Met de keuze voor deze titel schrijft Leopardi zich nadrukkelijk in in een klassieke poëtische traditie die zijn aanvang neemt bij Theocritus en de Alexandrijnse dichters. En toch neemt hij meteen ook afstand van die traditie. Zoals hij later zelf zal aangeven in het werk Disegni letterari (1828) zijn de Idilli in feite composities die ‘situaties, affecties, historische avonturen van zijn geest’ tot uitdrukking brengen. De idylle wordt bij Leopardi met andere woorden een genre waarin de dichter zichzelf niet zozeer tot doel stelt een landelijk tafereel in woorden te schilderen, maar zich bij het aanschouwen van de natuurlijke wereld die zich voor zijn ogen voltrekt bovenal concentreert – in een vorm van pure lyriek – op zijn gemoedstoestand, zijn diepere gevoelens, de bewegingen van zijn geest. Leopardi vernieuwt de idyllische traditie door een persoonlijke en intieme dimensie aan zijn verzen toe te voegen. Dergelijke verinwendiging van het ‘gebeuren’ breekt de idylle open en heft de begrenzing en beperking van die ‘kleine beeltenis’ op. Het beeld dat de dichter voor ogen staat ontdubbelt zich in een werkelijk beeld (empirisch waarneembaar, beperkt en begrensd) en een ‘virtueel’ beeld (vrucht van de dichterlijke verbeelding). De voortdurende slingerbeweging tussen wat het subject ziet en hoort enerzijds en datgene wat hij zich voorstelt en herinnert anderzijds brengt zijn geest in extase en het is in die extreme gemoedstoestand dat het oneindige voorvoeld wordt.

L’infinito

Sempre caro mi fu quest’ermo colle,
e questa siepe, che da tanta parte
dell’ultimo orizzonte il guardo esclude.
Ma sedendo e mirando, interminati
spazi di là da quella, e sovrumani
silenzi, e profondissima quiete
io nel pensier mi fingo; ove per poco
il cor non si spaura. E come il vento
odo stormir tra queste piante, io quello
infinito silenzio a questa voce
vo comparando: e mi sovvien l’eterno,
e le morte stagioni, e la presente
e viva, e il suon di lei. Così tra questa
immensità s’annega il pensier mio:
e il naufragar m’è dolce in questo mare.

De oneindigheid

Steeds was mij deze eenzame heuvel lief
en deze heg, die aan zoveel zijden
de verre horizon aan ’t oog onttrekt.
Telkens als ik hier zit, stel ik me erachter
onmetelijke ruimten voor, en stilten
die ’t menselijk begrip te boven gaan,
en peilloos diepe rust; waarbij ik soms
bijna verstijf van angst. En als ik dan
de wind door deze takken heen hoor waaien,
dan vergelijk ik die immense stilte
met dit geruis: ik denk aan de eeuwigheid,
aan de afgestorven jaren, en aan dit
dat leeft, en aan ’t geluid ervan. En zo
verdrinkt mijn geest in eindeloze diepten,
en zoet is ’t mij in deze zee te zinken.

(Vertaling: Frans van Dooren)


Het gedicht, dat uit één enkele strofe van 15 hendecasyllabi bestaat, vertrekt vanuit het eenvoudige decor van een idylle, een landschap gevormd door een eenzame, geliefde heuvel en een heg die de horizon aan het gezicht onttrekt. Het is echter net de waarneming van dat laatste obstakel die de verbeelding van het subject in werking doet treden en paradoxaal genoeg ruimte creëert voor ‘onmetelijke ruimten’ en ‘stilten die ’t menselijk begrip te boven gaan’. Na dit eerste overwegend visuele deel waarin de perceptie van oneindigheid in ruimte zich aan het subject openbaart (binnen het speelveld van zijn verbeelding weliswaar), volgt een tweede meer auditief deel waar opnieuw een concreet element, namelijk het ruisen van de wind dat zich als stem van het heden over de immense stilte van de onmetelijke ruimte binnen de verbeelding legt, de deur openzet naar het ervaren van een oneindigheid in tijd. Het horen van de wind maakt het subject opnieuw bewust van het levendige heden, maar roept meteen ook op wat niet meer tot dat heden behoort: ‘de afgestorven jaren’, de tijd in al zijn ‘eeuwigheid’. Levert Leopardi hier het fictieve bewijs van de grootsheid van de menselijke geest die het hele universum kan gevoelen, zonder enige beperking in tijd en ruimte? De ontdekking van oneindigheid verloopt bij Leopardi in elk geval via de zintuigen, en niet langs de weg van het verstand. Meer nog, het opheffen van de rede is een noodzakelijke voorwaarde om onder te kunnen gaan in de zee van oneindigheid. Het lyrisch subject stelt zich iets voor wat (per definitie) niet te vatten is wegens ‘onmetelijk’ en ‘peilloos’. Begrip (‘greep krijgen op iets’) veronderstelt net afgrenzing, afbakening (zowel in tijd als in ruimte). En daar waar het subject in het eerste deel nog vreest zichzelf te verliezen in dit avontuur van de geest omwille van de onbekendheid met een niet eerder ervaren stilte, rust en onmetelijkheid die hem tegelijkertijd aan de dood doen denken (‘ove per poco il cor non si spaura’), boezemt schipbreuk hem aan het einde geen angst meer in. Welintegendeel, het is met het grootste genoegen dat hij zijn geest laat zinken in de ‘eindeloze diepten’ van de zee der oneindigheid (‘e il naufragar m’è dolce in questo mare’).

Neigen naar het oneindige

Volgens Leopardi neigt de mens van nature uit naar oneindigheid. Het is Leopardi hier echter niet te doen om bovennatuurlijke krachten, om pure metafysica, maar veeleer om het streven naar een genoegen dat geen grenzen kent in duur noch uitgestrektheid, zo zal later duidelijk blijken uit zijn ‘teoria del piacere’ die hij ontwikkelt tussen 1819 en 1823 en waarvan de kerngedachte neergeschreven wordt in zijn Zibaldone (1820). Daarin stelt hij piacere (genoegen) gelijk aan felicità (geluk), maar verkiest hij, ter verduidelijking van zijn theorie toch de eerste, meer sensualistische term. In deze theorie staat Leopardi stil bij ons ‘neigen naar het oneindige’ dat wij niet kunnen bevatten, tenzij via de verbeelding, maar dan nóg enkel op onbepaalde wijze en niet op oneindige wijze. Het oneindige is immers altijd vrucht van de menselijke verbeelding, die eindig is. Maar het is wel enkel via de verbeelding dat we geluk kunnen ervaren. Enkel door jezelf over te geven aan de uitgestrektheid van de verbeelding en de rede op te heffen, door jezelf te laten opgaan in een oneindige, onbepaalde ruimte, door jezelf te verliezen, kan je een echt genoegen ervaren. Dit genoegen kan telkens opnieuw hernieuwd worden via nieuwe gewaarwordingen die je toelaten om het per definitie tijdelijke karakter van de werkelijkheid te overstijgen, tot de dood er een einde aan maakt. Het zich kortstondig inbeelden (of creëren) van die oneindigheid heeft voor Leopardi bijna vanzelfsprekend baat bij een poesia vaga e indefinita (een vage en onbepaalde poëzie) waarbij de verzen onder elkaar niet enkel een een metrisch continuüm vormen, maar ook een syntactisch continuüm dankzij de vele enjambementen en voegwoorden. De keuze voor een woordenschat die elke concrete waarneming of waarneming van eindigheid ontwijkt, draagt eveneens bij tot een ‘onbepaalde’ waarneming die verder uitdeint in tijd en ruimte. En daar waar in het begin van het gedicht nog concrete plaatsbepalingen (‘quest’ermo colle’, ‘questa siepe’) gebruikt worden die verwijzen naar een welbepaalde plaats, met name Monte Tabor in Recanati, vervagen ook die naarmate we verder ondergedompeld worden in het bezwerende ritme van het gedicht en andere, vagere elementen het oneindige, het onbepaalde oproepen (‘questa immensita’, ‘questo mare’). Hoe aardig dit alles ook klinkt, toch zijn het gedicht ‘L’infinito’ en bij uitbreiding Leopardi’s ‘teoria del piacere’ evenveel uitingen van het pessimisme van de dichter. Leopardi is zich namelijk maar al te zeer bewust van het feit dat zijn streven naar genoegen of geluk ijdel is, want vrucht van de verbeelding die op zijn beurt vrucht is een bewust gecreëerd contrast tussen wat eindig is (de heg als obstakel) en oneindig (‘onbegrensde ruimtes’ en ‘bovenmenselijke stiltes’). Het onzegbare ontvouwt zich voor onze ogen en laat van zich horen via het gegeven van de analogie als het gereedschap bij uitstek waarmee wij de wereld vormgeven. ‘Elk genoegen is eindig, maar hét genoegen is oneindig.’ In het gedicht L’infinito zijn het niet de dagdagelijkse, vluchtige vreugden en voldoeningen die een zekere vorm van geluk voorstaan – die verdoven hoogstens even de pijn. De ware vlucht uit angst en pijn bestaat erin op zoek te gaan naar het genoegen dat oneindig is in getal, in duur en in uitbreiding, een genoegen dat de mens in de werkelijkheid dan misschien wel niet kan vinden, maar wel via de kracht van zijn verbeelding. In de werkelijkheid zijn alle genoegens en vreugden eindig en afgebakend in tijd en ruimte, maar de menselijke verbeelding heeft de mogelijkheid dingen te bedenken die er niet zijn en dit bovendien ook op een manier waarop werkelijke dingen doorgaans niet zijn. Dergelijk vermogen tot verbeelding is volgens Leopardi eigen aan kinderen en kan niet zonder een zekere dosis onwetendheid, een soort kennis gebaseerd op het zintuiglijke. Het gedicht L’infinito evoceert op die manier, via Leopardi’s herinneringen aan de vele wandelingen op Monte Tabor tijdens zijn jeugd, misschien wel op een nostalgische manier de illusies en fantasieën die hij als kind op die plek ervaarde en als dichter steeds is blijven koesteren.



© Edward Hoornaert



zaterdag 18 maart 2017

Een vermoeden van licht (1) - Richard Foqué

Vier gedichten uit 'Een vermoeden van Licht'
(De bundel bestaat uit 4 cycli van telkens 12 gedichten: 1. De verloren tijd, 2. De instortende tijd, 3. De zoekende tijd, 4. De herwonnen tijd)


2. De instortende tijd


2.1


Teken de wereld in één lijn
teken haar met een pen
gedrenkt in bloed
tot de winter komt
de oorlog openbarst
in een wereld van was.

De dagen uitgeleefd
het daglicht verzegeld
tussen wraak en straf.
Verdriet nu is niet genoeg
vergeving teveel.
Schraap het bloed
vouw de lichamen
smoor het gejammer
in een plastic zak.

Maar laat de bloemen
laat de kaarsen rouwen
tot de morgen komt
als een bevroren icoon
in vijandige grond
in verkillende wind
in een wereld van was.


2.5


Nachten komen
nachten gaan
koud licht blijft.
Eeuwige getijden.

Uilen sterven
eenzaam in hun torens.
Vossen vluchten
uit hun burchten.
Vleermuizen vinden
niet langer hun grot.

Dit zijn de dagen
van instortende tijd.
De wolken te laag
om de zon te kwetsen.
Terwijl wij dwalen
door lege waters
ontkennen dat tijd
zich vergrijpt aan leven.


4. De herwonnen tijd


4.4


Het is vuur
dat van heuvels rolt.
Wij vallen in lichterlaaie.
Wij de kwetsbaren
verschrompelen tot onszelf.

Terwijl we verdwijnen
willen we blijven
het onafwendbare delen
de lege kamer met de nacht.
Willen we geven
wat er niet is
de wanen van de dag
de wolken
die door de ogen drijven.

Het is geen vluchten
het is verblijven
zich wikkelen
in de plooien
van een scharlaken vlam.


4.6


Maar telkens weer
dreigt begin
trilt een snaar
verschuift de grond
wordt een cirkel gesloten
kantelt een evenwicht
is er iets dat wil.

Een vaag geritsel
een vermoeden van licht
alsof stilte wil roepen
in de donkerte
alsof een vlies wil breken
het niets ontstaan.
Want zo is alle begin
het wacht.


© Richard Foqué



De voorgaande vier gedichten zijn een eerste voorpublicatie uit de bundel “Een vermoeden van licht” van Richard Foqué die in het najaar verschijnt bij Uitgeverij P te Leuven. De bundel zal worden voorgesteld op zaterdag 7 oktober 2017 om 20h00 in De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen. De dichter heet alle lezers van de Schaal van dighter nu al van harte welkom. Zeg niet dat we er niet vlug bij zijn!

Een tweede selectie uit het typoscript van de bundel wordt door de Schaal van Digther gepubliceerd in de maand september.






dinsdag 14 maart 2017

Het boekje van de dichter - Gaea Schoeters

























Goodbye to the #blackbook (ideas '15-'16). Was happy to see how many of the concepts in there were realised and how many ideas found their way into a novel, theatre piece, poem or story. Ideas and concepts still valid (&which I still like) have been copied into the #bluebook (2017-2018) for further thought. Now all we can do is hope that the #redbook agrees - because that measures time #agenda #schedule #fullofplansandthingstodo #writer // Daar zit nog stof in voor minstens twintig jaar schrijven. Romans, (muziek)theater, een opera (of 2 of 3), kinderboeken, kortverhalen en zelfs een nieuwe tv-reeks. Sorry jongens. Jullie zijn nog een tijdje niet van me af.

Bron: Gaea Schoeters op Instagram en Facebook (7 maart 2017)

www.gaeaschoeters.be

Alle "Boekjes van de dichter"

zondag 12 maart 2017

dezelfde kant - Anne Cockaerts

eerst dragen we woorden later de rest
blijf hier maar wachten zeg je hier
ik hoor hoe de mist het zicht beneemt

de weg ademt het kind van acht
dat we nooit hadden maar altijd tussen ons in loopt
wijst naar wat wij niet missen

ik wil alleen maar de hand van een vreemde
desnoods een geliefde om vast te houden
als dag op zich laat wachten

of pas komt als het te laat is



© Anne Cockaerts


vrijdag 10 maart 2017

Geuzentoren, Muziekbos - Wouter Rogiest

Geuzentoren, Muziekbos*


Aan mans verleden gaat een mierenhoop
van namen stil voorbij. En toch probeer ik,
boze mus, het hoogste woord wel eens
te voeren, leg ik een man als Pol de Mont
het vuur aan de schenen maar al te graag.

In de schoot van zijn Vlaamse Ardennen
rol ik me om in zijn recept.

Garneer met varens en amandel
al zijn verzen en droom weg.

En word ik wakker te midden van stenen
omdat geen muur oneindig houdt,
ik schenk ze aan de zotten weg
en hoop dat Ronse 't me vergeeft.



© Wouter Rogiest



* De 19e-eeuwse Geuzentoren bevindt zich in het Muziekbos, een uitgestrekt natuurgebied in de gemeente Ronse. Op een voorjaarsdag in 1888 werd deze toren beklommen door dichter Pol de Mont (1857 - 1931), die naar verluidt weinig bekend was met de streek. Geïnspireerd door het heuvelachtige landschap met zijn natuurpracht kreette hij tot zijn gezelschap: "Maar dat zijn hier de Vlaamse Ardennen". Hieraan dankt de streek haar naam. / “Aan mans verleden” en “varens en amandel” zijn anagrammen van “Vlaamse Ardennen”. "Ik, boze mus” is een anagram van "Muziekbos". / Het Muziekbos ligt op een viertal kilometer van de Grote Markt van Ronse, met in de onmiddellijke nabijheid de zogenaamde Zottenmuur.

Tot zondag 5 maart 2017 kon er in Domein Puyenbroeck poëtisch gewandeld worden. Bij de 25 gedichten van de wandeling was ook een gedicht van Wouter Rogiest. De gedichten konden gelezen én beluisterd worden, met de hulp van een app van Gentse app-ontwikkelaar OJOO.










donderdag 2 maart 2017

Bosdichter - Frans Deschoemaeker

Iemand van The Lappersfort Poets Society deelt mij mee dat hij een gedicht van mij gevonden heeft in een oud plakboek van zijn moeder. Hij vraagt mij toestemming om dat gedicht, waarin het woord bossen voorkomt, te publiceren op de website Poëziebos. Ik antwoord hem dat ik wel andere, en meer uitgesproken bosgedichten heb dan dat oude gedicht uit mijn debuutbundel Stroomafwaarts, waarin bossen slechts zijdelings ter sprake komen. Ik stuur hem een mooie bloemlezing van tien gedichten, en nodig hem uit daar zelf een gedicht uit te kiezen. Kiezen blijkt echter moeilijk, want mijn correspondent plaatst meteen de hele verzameling online. Met deze substantiële aanplant ben ik nu ook officieel bosdichter. En mijn gedichten staan daar goed, middenin het virtuele chlorofyl.

Dat oude plakboek bevatte de poëziekroniekjes die Jozef Deleu in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw schreef voor De Bond, het weekblad van de Bond van de Grote en Jonge Gezinnen, onder de titel Lees maar, er staat niet wat er staat. In aflevering 57 besprak hij uit mijn debuutbundel het gedicht Terugkeer in het landschap. Zelf bezit ik het knipsel ook nog, want ik werp, net als de mama van mijn correspondent, nooit iets weg, met het oog op de geschiedschrijving.

En ook om af en toe eens mijn gelijk te halen. Want zie; ooit vertrouwde ik in een interview de journaliste Sofie Rycken het volgende toe: we schrijven allemaal om een spoor na te laten. We schrijven niet voor de eeuwigheid, we schrijven voor de bibliotheken van de eeuwigheid. Of je vijftig jaar na je dood nog wordt herdrukt of niet is tamelijk irrelevant. Ooit zal wel weer iemand in een oude bibliotheek, hoog op een trapje, één van je boeken vinden. Ooit zal wel weer iemand in de laaglandse grensgebieden van de virtuele ruimte één van je gedichten zien oplichten. En misschien wordt die persoon wel getroffen door een flits van zijn waarheid die trilt in een van jouw stijlfiguren. Niets verdwijnt ooit helemaal. Niet dat je over de tongen loopt, maar je leidt een ondergronds leven. Ik ben er mij goed van bewust dat poëzie een minimaal gebeuren is.

Bibliotheken, webpagina’s, vergeelde jaargangen, oude plakboeken. Wat een werelden! Wat een brede adem over de uiterwaarden! Wat een groene, belommerde netwerken!



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

Extern:
Site Poëziebos
Tien bosgedichten van Frans Deschoemaeker (pdf-bestand)

woensdag 1 maart 2017

Twee redactie-kiekjes

Za 25/2/2017 - vlnr Paul Rigolle, Hugo Verstraeten en Frédéric Leroy
Za 25/2/2017 - Alain Delmotte en Herlinda Vekemans