donderdag 18 januari 2018

Ontwikkeling - Erick Kila

zeggen dat je het weet
denken aan niets
zo – in het voorbije gesloten
in nacht
toch is er een vogel
hij verliest

het was goed
de wereld verandert in hetzelfde
schaduwen weten het
stilten kennen het
het was goed


© Erick Kila


woensdag 17 januari 2018

Ik dacht erover iets te schrijven - Erick Kila

1

een avond dacht ik erover
iets te schrijven
uit het woord dat
nacht is kwam stilte
het werd stiller
op het eind van schemer verdwaalden
de woorden
de dag begon te tikken
eerst zacht


2

als ik vertrek uit mijn stad
valt het niet op
de dagen blijven
en de schaduwen
onveranderd ook blijft
vroeger
misschien merkt de kleine vogel iets
hij is groen, heeft belangstelling


© Erick Kila


dinsdag 16 januari 2018

Jazz & de steen van de wereld - Erick Kila

laden, vuren
afzien van hapering in
klanktijd
steeds een leegte vol – 4 tellen
prik in de steen van de wereld
zucht, niet bedacht
tegendroom
stroom
tegen


© Erick Kila


maandag 15 januari 2018

Trein-Erick Kila

weiland
verte
klein paard
in denkstappen
razend van werkelijkheid

dan zwenkt de gedachte
komt los van het maaksel dat
de wereld is
gaat naar het verre
de weiden van stil


© Erick Kila


maandag 8 januari 2018

Verklaar je nader, recensent - Alain Delmotte

Naar aanleiding van een nare recensie

Een tijd geleden brachten we op deze Schaal enkele gedichten van Jan M. Meier. Deze gedichten maken intussen deel uit van de bundel ‘Engelenspoor’, vorig jaar uitgegeven door ‘Uitgeverij P’. Van deze bundel verschenen tot nog toe drie recensies. De eerste was van Lennert Ras op Meander. Dirk De Geest zorgde op Mappa Libri voor de tweede. De derde recensie was van Stefan van den Bossche. Die laatste verscheen onlangs in Poëziekrant (2017, nr.6 p. 31). De aandacht zal hier verder vooral uitgaan naar de 'bespreking' van Van de Bossche. We adviseren voor een goed begrip eerst de recensie van De Geest te lezen.

De lezer merkt het meteen. Wat de recensies van De Geest en Van den Bossche gemeen hebben is dat ze kort zijn. Voor het overige verschillen ze sterk in appreciatie: de eerste bouwt op, de tweede bouwt af. Je gaat je de vraag stellen: wat is er aan de hand? Draagt deze bundel dan zoveel ‘controverse’ en ‘dwarsheid’ in zich dat die sterk van elkaar verschillende meningen oproept? Ik dacht het niet. Poëzie wijkt uiteraard per definitie af van het gestandaardiseerde taalgebruik en dat lokt altijd wel wat controverse uit. Maar in deze bundel gebeurt dit zeker niet radicaal of schokkend.

Aangezien wij op deze schaal loyaal wensen te blijven ten aanzien van de dichters die we hier een kans hebben willen geven, wil ik uitgebreid stilstaan bij wat ik noem de ‘bedenkelijke’ bespreking van Stefaan van den Bossche. Ik neem het op voor Jan M. Meier. Niet op vraag van de dichter (die ik nauwelijks persoonlijk ken). Maar uit eigen beweging, waarover verder meer.

De bespreking van Van den Bossche is zoals vermeld, bijzonder kort, veel te kort. Merkwaardig genoeg was er toch nog meer dan voldoende ruimte voor nietszeggendheid. Om in het jargon van Van den Bossche (dat hij in deze tekst hanteert) te blijven: ‘de leegte van de nietszeggendheid’. Een bespreking die niet met een pen werd geschreven maar met een natte vinger.

Het stuk bestaat uit vijf ongeveer gelijke paragrafen. Opvallend en verwonderlijk is dat twee vijfden ervan gespendeerd worden aan het curriculum vitae van Jan M. Meier - die in een vorig leven Jean-Marie Maes heette. Natuurlijk bevat die cv uitzonderlijk nuttige literair-wetenschappelijk uitgekiende informatie, des te meer omdat de helft ervan op de zijkant van de bundel staat vermeld. Maar zelfs het grondige onderzoek bleef hier in gebreke. Jean-Marie Maes veranderde zijn naam in 2002 (en niet in 2015) en publiceerde sindsdien enkel onder het pseudoniem Jan M. Meier. Jean-Marie Maes is dus al een hele tijd uit het zicht verdwenen. Achter die naamsverandering gaat waarschijnlijk het een en ander schuil. Een breuk met het verleden, een literair verleden? Van den Bossche staat er in ieder geval niet bij stil.

Omdat de eerste bundel van Meier/Maes 45 jaar geleden verscheen, wordt de bundel het relaas van die lange stilte genoemd. Hé, als je dit leest, denk je: o, dat lijkt me interessant – recensent, kan je daar wat meer over vertellen, zijn daarvan duidelijke sporen te lezen in de gedichten? Maar op die vraag geeft de recensent niet thuis. De lezer blijft in de kou staan.

Daarna volgt een grondige en uiterste nauwkeurige, strikt mathematische lezing van de inhoudstafel. Knap werk. Altijd zinvol, zeker, maar er volgt niks op die wiskundige constateringen. Waar was het dan goed voor? Ik lees niks over hoe die structurering in de bundel werkt, niets over de aanwezige motieven en niets over hoe de motieven zich eventueel binnen de bundel verhouden, al dan niet verschuiven, enz..

En dan beweert van den Bossche het volgende: ‘Niet alleen is er in deze poëzie een grote variatie in tijd zichtbaar, maar ook in zeggingskracht en finesse.’ Welnu daarvan had ik als in-de-kou-staande-lezer graag bewijzen gezien. ‘Verklaar je nader, recensent’. Maar aan nadere verklaringen heeft de recensent geen nood. Hij stelt vervolgens kordaat dat een aantal gedichten beter uit de boot waren gevallen. Hoezo? Welke gedichten? Waarom? Lezer, we hebben er het raden naar! Duiding blijft uit. Of op zijn minst een poging tot duiding: wat al een grote verdienste zou zijn geweest. Het gebrek aan duiding brengt de tekst tot een praatje voor de vaak, tot een portie gebakken lucht terug.

Dan toch wordt in de voorlaatste paragraaf, blazend en zuchtend iets over het thema verteld: verlies zou het grote thema zijn. Dit ligt zo voor de hand in deze bundel dat het niet meer is dan vaststellen dat een hond een staart heeft. Daarbij deelt hij mee dat men van deze bundel niet vrolijk wordt.

Om het een en ander te motiveren citeert hij eindelijk iets:

ik zag je vandaag weer overal
zoals je aan de tafel zat
zoals je hier rondliep en lachte
zoals je stil werd en bevroor

het was nog maar vorig jaar
er was voorwaar wat zon
nu is het huis vol regen
ik zie je weer opgebaard

Dit wordt zomaar ijskoud in het gezicht van de lezer gekeild. Zonder de minste context: de lezer moet het alweer maar weten. Hieronder plaats ik het gehele en wat mij betreft pakkende gedicht. Het citaat hoort thuis in de eerste cyclus van de bundel, ‘I.M’, in memoriam. Een reeks die inderdaad de toon van de bundel in zijn geheel meedraagt, er de rode draad van is. Als je een reeks gedichten begint te lezen die de titel ‘in memoriam’ meekreeg dan verwacht een beetje mens geen vrolijk makende kolder. De opmerking van van den Bossche is bijgevolg weinig tactvol. Om niet te zeggen: ronduit misplaatst. Hier is niet bij nagedacht.

Dat het geen al te vernieuwend gegeven is wat hier wordt gethematiseerd? Tja. Van Homeros tot, pakweg, Hester Knibbe is er weinig nieuws onder de poëtische zon. Gedichten komen, gedichten gaan. Maar hun grond, hun voedingsbodem blijft dezelfde: de menselijk ervaring. De thema’s die poëzie hanteert zijn au fond beperkt. Het zijn de al dan niet libidineuze passies, de queesten, de chimères. Het mythische. Het sacrale en zijn vele vormen. De schimmen. De archetypen. En verlies. Verlies hoort inderdaad ook bij die thema’s. Het verlies van een kind, zoals bijvoorbeeld in ‘Engelenspoor’ het geval is. En de rouw daarover. De vraag is dan ook niet wat een dichter thematiseert, wel hoe het thema wordt verwoord, vorm wordt gegeven. Wat een dichter met een thema aanvangt: hoe hij het al dan niet verrijkt, er andere wendingen aan kan geven. Hoe een dichter met een simpel, doordeweeks of pijnlijk gegeven een lezer kan verrassen, verbazen en, waarom niet, ontroeren. Een bevraging die het uitgangspunt van elke recensie zou moeten zijn: een recensie mag best wel negatief geladen zijn, maar het moet een liefdesverklaring aan de poëzie blijven. Dat vuur, die furie is quasi nergens nog te ontwaren, heb ik de indruk.

De laatste paragraaf wil ik de lezer niet besparen. Die is hilarisch: ‘Is deze bundel geslaagd? Ja, in menselijk en emotioneel opzicht. Literair is hij echter geen hoogvlieger, hoewel het me voorkomt dat die anders had kunnen zijn met een betere redactionele begeleiding en een scherpere selectie. Er wordt nu erg veel geschreven, maar weinig gezegd. Nochtans lijkt me (de nieuwe) Meier een dichter die het voordeel van de twijfel moet genieten.’

Dit zijn woorden van een belerend Tartuffe-gehalte. Eerst wat loze beweringen formuleren in de vorige paragrafen en in de finale de amicale schouderklopjes en een sneer richting uitgever. Van den Bossche lijkt te zeggen: ‘Neem het niet persoonlijk op, jongen, het is allemaal goed bedoeld en let de volgende keer wat beter op’. Dit is wat met een ouderwets woord ‘dubbelmoraal’ wordt genoemd. Eerst wat schoppen en dan wat paaien. Je reinste geveinsde nederigheid, die regels.

Om het op zijn Vlaams te zeggen, sta me toe deze recensent van het zelfde laken een broek te geven:

‘Is deze recensie geslaagd? Nee, in menselijke opzicht biedt ze geen uitdieping, ga ik vruchteloos op zoek naar een greintje empathie. In emotioneel opzicht getuigt de tekst van een grote, gemakzuchtige eenzijdigheid. Literair is zijn tekst geen hoogvlieger. De woorden ervan vliegen in het rond en slaan nergens op: ze blijven plat. Het komt me voor dat deze bespreking anders had kunnen zijn ware er een betere redactionele begeleiding en een kritischere blik aan voorafgegaan. Er staat even weinig geschreven als dat er wordt gezegd. Op een paar banaliteiten en tartufferie na. Van den Bossche toont zich hier als iemand die in zeven haasten een klus heeft moeten klaren en die klus dan een recensie durft noemen. Ik gun hem daarom aan geen kanten het voordeel van de twijfel.’

Ik moet me nu wat temperen: Stefan van den Bossche is geen amateur en heeft zoals iedereen recht op spreken. Recht op een mening: hij mag dit best geen geslaagde bundel vinden. Maar als recensent heeft hij evenzeer de plicht ten aanzien van de lezer om zijn oordelen secuur toe te lichten. Des te meer in een prestigieus tijdschrift als Poëziekrant dat, naar er wordt verteld, graag en veel wordt gelezen en daarom van groot levensbelang is voor de Nederlandstalige poëzie.

Hij slaat in zijn artikel de bal helemaal mis. Dit slordige artikel lijkt meer vanuit een knorrig humeur dan vanuit een kritische betrokkenheid geschreven. Met zo’n tekst leg je elke vorm van debat aan banden: tegen wat en hoe kan de dichter zich nu niet verdedigen of verweren? Gebakken lucht bestaat tenslotte niet.

Nee, ik sluit niet uit dat iemand vanuit het humeur en de emotie schrijft. Zoals polemisten dat wel eens plegen te doen. Ik koppel daar wel een aantal voorwaarden aan vast. Ik verwacht dan enige stilistische grandeur, retorische verve (die vrij van ressentiment blijft), lucide ironie, subtiele satire, venijnige tegendraadsheid. En moed. Vooral de moed om, waar nodig, dikdoenerige reputaties aan te pakken en niet zoals hier het (tweede) debuut van een weinig bekende dichter.

Mijn persoonlijk motivatie voor het schrijven van dit stuk gaat dan ook verder dan deze specifieke bespreking. Mijn boosheid richt zich tot een fenomeen dat steeds vaker opduikt en op enkele (gelukkige) uitzonderingen na steeds meer mainstream aan het worden is. Recensies moeten zo kort, korter, kortst mogelijk zijn. En vlug, vlug, vlug afgehandeld. De tekst moet wijken voor niet altijd geslaagde foto’s. Waarmee het decor en de rekwisieten belangrijker worden dan het theaterstuk. Weldra wordt een recensie niet meer dan een twitterberichtje. En dan nog. Ik hoor redacteuren al zeggen: ‘kan je in dat twittertje niet wat schrappen of ik krijg het niet geplaatst.’

Er is geen ruimte meer, geen ademruimte meer voor een fijnzinnige, onmisbare, intelligente nuancering: je kunt daar immers niet mee ‘epateren’, je kunt er niet mee ‘scoren’. Nuanceren, dat is moeilijk doen. Nuanceren dat is iets voor lastpakken.

Ik weet het ‘in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. Maar tot hoever kan je in de kaalslag gaan? Het is gemakkelijk en goedkoop om iemand met slechts enkele felle of, zoals hier, vage woorden af te serveren. Dit lijkt me intellectueel oneerlijk en geeft blijk van weinig respect en zelfrespect. Een recensie is een bokswedstrijd geworden: een bloedneus zorgt immers voor spektakel en daar komt altijd veel volk naar kijken. Ik vind het intriest dat iemand als van den Bossche daaraan toegeeft. ‘Jij, ook Brutus?’ Helaas, hij is niet de enige Brutus in zijn soort. Ik word daar alvast niet vrolijk van.

222

tweehonderdtweeëntwintig dagen
is een korte tijd om dood te zijn

ik zag je vandaag weer overal
zoals je aan de tafel zat
zoals je hier rondliep en lachte
zoals je stil werd en bevroor

het was nog maar vorig jaar
er was voorwaar wat zon
nu is het huis vol regen
ik zie je weer opgebaard

tweehonderdtweeëntwintig dagen
is een korte tijd om dood te zijn
een veel te lange tijd voor wie blijft

(gedicht uit de bundel 'Engelenspoor' van Jan M. Meier)


© Alain Delmotte


zondag 7 januari 2018

De beroemde Belgische triptiek - Hendrik Carette

voor Alain Delmotte


I. Het mysterie van René Magritte

Geen symbolen, geen beelden en geen iconen.
Geen charlatanerie en geen monumentale hoogmoed.
Elk schilderij is een droom voor de burger van de burgerij
ingelijst in het blauwe nachtlicht van het nachtkasteel.


II. Het oog van Marcel Mariën

De Chinese roerganger Mao kende zijn kunstwerken niet.
Maar zijn collages kleven aan het netvlies
van ons geheugen dat erotisch neurotisch blijft
wanneer een jonge blanke naakte vrouw
bloot blijft en onze ludieke lettrist Mariën
haar naakte lippen, haar vulva en haar venusheuvel ziet.


III. Het genie van Henri Michaux

Het schuilt niet onder zijn woorden en niet onder zijn woede.
Niet onder zijn inktspatvlekken en niet onder zijn hersenpan.
Het schuilt in de geest van Plume:
Plume in Casablanca, Plume bij de koningin
en vooral de zonderlinge Plume hangend aan de zoldering
(Plume au plafond)…
Plume was dus zeker geen warhoofd, geen robot
en geen oplosbare pop. Plume was de emanatie van Michaux.


© Hendrik Carette


vrijdag 5 januari 2018

Verlies verdwijnt nooit

Over ‘Vermoeden van licht’ van Richard Foqué.
Recensie Alain Delmotte

Wie de nieuwste bundel van Richard Foqué ‘Vermoeden van licht’ doorneemt, zal wellicht een verwantschap met de twee vorige bundels, ‘De grote Rokade’ (2012) en ‘Hier staan wij’
(2015) opmerken: ze zijn namelijk, zeer elementair, alle in 4 cycli opgedeeld. Ze vertonen dezelfde compositie. Of eenzelfde architectuur (wat misschien in het geval van Foqué wat te veel voor de hand ligt, gezien zijn deskundigheid in dit vakgebied). In al deze bundels hebben de titels van de cycli hun belang. In het erg geslaagde ‘Hier staan wij’ weerklinken in de vier titels van de afdelingen echo’s van elkaar, wat een eenheid aangeeft. Het beantwoordt m.i. vooral ook aan een soort nood aan een herkenbare, bijna cijferachtige ordening – die tegelijkertijd enige vervreemding oproept. Ik kom er nog op terug.

Vormen de drie bundels dan een eenheid met elkaar? Is er sprake van een drieluik? Een opus in opbouw? Dat durf ik niet te beweren, aangezien ik geen zicht heb op de toekomstige publicaties van Foqué. Alvast zou het interessant zijn om op zoek te gaan naar wat de eventuele gelijkenissen tussen deze bundels zijn. Waarin zijn ze gelijklopend en waarin verschillen ze. Grijpt er tussen de drie bundels een soort estafette plaats: geeft de eerste bundel iets door aan de tweede en de tweede aan de derde? Welke toegang- of invalswegen bieden ze elkaar aan? Wat geven ze aan elkaar door? Schakelen ze zich thematisch aaneen? Laten ze zoiets als een voortgang gewaar worden? Vragen die ik hier wens open te laten. Die studie ga ik niet maken. Ik beperk me met deze lijnen tot een bespreking van de nieuwe bundel. Hopelijk nodig ik met bovenstaande vragen derden tot die uitdieping uit.

In ‘Vermoeden van licht’ meen ik toch zoiets als een estafette tussen de vier cycli te ontwaren. Elke reeks eindigt met een gedicht dat subtiel de stok aan de volgende reeks doorgeeft. Het laatste gedicht van de laatste reeks komt me in deze context dan voor als een puntig en contrapuntische synthese én van de reeks én van de bundel: ergens zijn wij/vermoeden van licht.

Wat ‘Vermoeden van licht’ in zich van ‘Hier staan wij’ lijkt mee te dragen, is het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’. In ‘De grote Rokade’ was het woord slechts minimaal aanwezig. In ‘Hier staan wij’ duikt ‘wij’ toch wel heel ostentatief in zowel de titel als in de laatste reeks van die bundel op. In ‘Vermoeden van licht’ vinden we het ‘wij’ weliswaar spaarzaam in andere cycli terug maar, alweer, heel expliciet in de vierde. Wat de bundel eveneens van de vorige heeft ‘onthouden’, is de nummering. Ik denk niet dat het zomaar een detail is. Foqué schrijft in cycli, zoveel is duidelijk. Zijn gedichten geeft hij nooit een titel mee. In de ‘De grote Rokade’ geeft hij binnen de reeksen de gedichten een Romeins cijfer mee. In ‘Hier staan wij’ worden die Romeinse cijfers Arabische cijfers. Elk gedicht krijgt dus niet alleen het cijfer mee van de rangorde waarin het staat in de reeks maar krijgt ook het passende cijfer van de reeks mee. Bijvoorbeeld het gedicht 3.6 is het zesde gedicht uit de derde reeks.

Wat is het nut van die nummering en wat is vooral het nut om hierbij stil te staan? Ik ben ervan overtuigd dat dit allemaal geen toeval of willekeur is. Zoals ik al schreef, geeft het blijk van een ordeningsnood. Het lijkt me het bedachte, rationele kader aan te geven waarbinnen Foqué zijn bundel(s) opbouwt. Al is hij zich bewust dat die nummering kwetsuren tot gevolg heeft. In het beklemmende gedicht 2.3 (dat ik hieronder integraal weergeef) blijkt dit duidelijk.

Je kunt dit gedicht heel concreet en realistisch lezen. Mij riep het herinneringen op aan de Nazi-kampen waar de joodse gevangenen een nummer op hun arm getatoeëerd kregen. Waarmee eigenlijk hun individualiteit werd ontnomen: ze waren van geen tel meer. Ze werden ‘acefaal’ gemaakt, mentaal onthoofd, het brein ontzegd.

Als we dit gedicht op meta-poëtisch niveau lezen en ervan uitgaan dat ook een gedicht een lichaam is, een taallichaam, dan is die nummering het gedicht tot schrikdraad. Het nummer als omen. Foqué komt op die ‘menselijk reducerende’ nummering en naamloosheid in de bundel een paar keer terug:

‘Daar de naamloze lijven/ongezien./Ze kermen door je brein/Ze spreiden in je aders/nemen bezit/verlammen/nemen bevel‘(2.12). ‘Zie hoe ze lopen/in wanhopige rijen/in monotoon gelid/in genummerde vakken/lege lichamen zonder hoofd/zonder toekomst/naar het einde zoekend’ (3.3)

Een ordening, schreef ik. Een ordening die een verordening in zich draagt: het verdwijnen in het nulpunt ‘waar begin en einde raken’. Iets wat mij het onvergetelijke ‘Four quartets’ van Eliot (In my beginning is my end) opriep (hé, dat elementaire cijfer 4 alweer). Eliot: er steekt erg veel ‘waste land’, braakgrond in de poëtische topografieën van Foqué.

Stilistisch biedt Foqué wat hij in zijn vorige bundels aanbood: verdichte en gelaagde regels die (soms stotend, stompend) ritmisch worden voortgestuwd. De gelaagdheid zorgt ervoor dat deze poëzie complex uitvalt en hier en daar, bij eerste lezing, duistere plekken vertoont. Zo werkt poëzie nu eenmaal: een lezer dient zich op de tast in het gedicht voort te bewegen – ergens is er wel een ‘vermoeden van licht’. Dankzij die (bewuste? – berekende?) gelaagdheid smokkelt Foqué met de nodige schranderheid en eruditie allerlei motieven, herhalingen, infra- en intertekstuele aanwijzingen zijn gedichten binnen waarmee hij de bundel tot een geheel weet te metselen. En dus de vier reeksen intern en extern bij elkaar houdt – zonder dat ze daarbij hun autonomie verliezen.

Ik sta even stil bij een van die motieven: het spanningsveld ‘vraag en antwoord’ en in het logische verlengde ervan het spanningsveld ‘zwijgen en spreken’. Die twee spanningsvelden zijn binnen de bundel verspreid en geïntegreerd. We lezen ergens ‘ze hoort mijn zwijgen/maar antwoordt niet// Want de vragen zijn verzegeld/zoals de wegen die ik zoek’. En wat voor vragen zouden dat dan zijn? Men leest elders dat het ‘ongestelde vragen ’zijn ‘die het leven snijden’. (Er worden trouwens veel lijden, wonden en kwetsuren doorheen de bundel – zoals in de voorgaande - gesuggereerd. ‘Pijn’ is een woord dat in vele gedichten rondspookt. Ecce homo.) Er wordt kennelijk veel verzwegen want ‘zon te laag/om de lippen te raken’. De kernvraag wordt dan ook niet ontweken ‘Kunnen we nog spreken?’ Want ‘alle geluid/wordt blind geboren’. Overigens ‘Tijd stelt geen vragen/kent de antwoorden niet’. In de laatste reeks, deze van de pragmatische verzoening, klinkt het minder somber: hoewel ‘zeezout de lippen heeft vergrendeld’ wordt het volgende met nadruk gesteld: Verzegel de lippen niet/maar fluister de namen die ons maken’. Immers: ‘er is geen reden om te zwijgen/want in elke verlies/ligt aanvaarding’. Er zit niets anders op: ‘het onbeantwoorde/heb het lief’.

Het centrale motief in de bundel is evenwel het gegeven tijd. De titels van de reeksen geven het aan.: ‘De verloren tijd’, ‘De instortende tijd’, ‘De zoekende tijd’, ‘De herwonnen tijd’. Al de reeksen zijn begroeid met het existentiële besef van het ‘memento mori’. ‘Het is sluitingstijd/tijd voor elk van ons/om te verdwijnen’ (1.8). Foqué ontwijkt en bekampt illusies want ‘Verlies verdwijnt nooit’ (1.5). (Wat een variatie is op wat al te lezen viel in ‘De grote Rokade’ ‘Verlies gaat nooit voorbij’). Verlies houdt een mens dus bij de les en bij bewustzijn.

Elke reeks krijgt dus een eigen klemtoon en kleur. Maar de vier thema’s resoneren in alle reeksen mee. Ik vlieg er in scheervlucht over.

‘De verloren tijd’ is de verleden en vergleden tijd. Enkele teksten klinken nostalgisch. Dat wordt streng afgebroken als Foqué schrijft: ‘Mijn kindertijd/was een winterverhaal’. Een druilerige en winterse sfeer doordesemt trouwens de hele verzameling en houdt hiermee de titel van de dichtbundel in ere: in de donkerste maanden is het licht inderdaad maar een vermoeden.

In ‘De instortende tijd’ klinkt een rouwende stem die een wereld van ‘was’ evoceert. De wereld als wassen beeld? Of de wereld die er ‘was’, die er is geweest? Het wezen ervan? De schijn ervan? Weinig hoop wordt hier geformuleerd: Tijd schreeuwt/huilt/tussen molshopen/woekert/in dunne lucht/in eeuwig stof/door het moeras/door stinkend veen/door dode lijven/steelt. ‘De zoekende tijd’ verwoordt de cirkelvormige queeste, de zoektocht zonder bestemming: een cirkelende beweging houdt stilstand in. Is het het toeval dat de weg aangeeft? Of speelt het (nood)lot een rol? Het tarotkaartspel, de teerlingenworp worden geëvoceerd. Een goedkope clown ‘geeft je de sleutels/tot het paradijs/om de wolken te verdrijven/in je bodemloos brein’. De kaarten van dit spel zijn doorgestoken kaarten: ‘Het zijn gevallen bladeren/aan lege poorten/wachtend op een geliefde/blind en te laat’. De zoektocht grijpt plaats ‘in duisternis/telkens weer/aan het begin/aan het einde/wachten op licht’.

Een streepje licht schijnt in ‘De herwonnen tijd’ door. Hoe je de tijd herwint? Door zich een soort argeloosheid aan te meten die kinderlijke verwondering weer mogelijk maakt: ‘de kinderen kunnen het weten/de kinderen kunnen vinden/wat wij hebben verspeeld/verborgen ligt het/in hun handen.’ Is de kindertijd de sleutel van de herwonnen tijd? Er klinken opbeurende, lucide woorden: ‘Wij zijn geen nederlaag/wij hebben niet gefaald/we hebben zelf bepaald/waar wij willen gaan/tussen de eersten en de laatsten/tussen hier en toen’. Gaat de dichter voor ‘la liberté cartésienne’, de cartesiaanse vrijheid?

De existentiële thematiek van de poëzie van Foqué kan je bezwaarlijk als modieus beschouwen. Je vindt er geen ironie in terug, wel wat ‘realistische, stoïcijns getemperde grimmigheid’ in de wijze waarop hij tegen de existentie aankijkt. Hij geeft blijk van verfijnde intelligentie in de manier waarin hij verschillende niveaus ongemerkt in zijn teksten laat inwerken. Poëzie die bij een eerste lezing hermetisch aandoet maar zich gestaag blootgeeft voor wie zich aan meerdere lezingen waagt.

2.3

Het genummerde lichaam
pijn als een cijfer
gebrandmerkt
in de diepste huid
in rijen gelijnd
meetkundig geschikt.

Het genummerde lichaam
het wacht
terwijl het water stijgt
in het doorwaadbare.
Het staart
tot het geroepen wordt
tot iemand het zal delen
tot een naamloos priemgetal.

Het genummerde lichaam
Het is van geen tel.

© Recensie Alain Delmotte


Richard Foqué, Vermoeden van licht, 2017, Uitgeverij P, Leuven, isbn 978-94-92339-41-6.

Extern:
Weblog Richard Foqué
Uitgeverij P
Richard Foqué bij Uitgeverij P


Uitgever Leo Peeraer overhandigt het eerste exemplaar aan Richard Foqué




















maandag 1 januari 2018

Aan iedereen een Digtherlijk jaar gewenst!

Mogen we jullie namens 'de Schaal van Digther' en namens elk lid van de redactie afzonderlijk een bijzonder creatief en gezond 2018 wensen? Ja hoor, dat mogen we, en iedereen mag ons om het even wanneer verblijden met één of andere mooie inzending! Overigens bedanken we nu al iedereen die ons de beste wederwensen overmaakt. Renaat Ramon was de voorbije dagen een van de eersten om ons te verblijden...