zaterdag 26 mei 2018

Overburen - Bert Bevers (samenstelling)

Ik hou van dichtbundels en bloemlezingen waarbij originaliteit de grondtoon voert. Het is, vandaag de dag, niet meer voldoende om een boekje met degelijke verzen te vullen, de
dichter dient ook een ruimere horizon te exploreren. Er zijn voldoende poëziebundels die blijkbaar als enig doel hebben de kleine en grote pijnen van de auteur te reveleren. Overburen, poëzie tussen de grenspalen 269 en 369, is het brainchild van Bert Bevers. Terwijl sommigen anderen aanzetten om muren en grenzen te creëren gaat Bevers precies die hindernissen slopen. Via het labeur van collegae dichters wordt een poëtische grensroute uitgestippeld die loopt doorheen de Zeeuws-Vlaamse grensstreek en Vlaanderen. De samensteller ging op zoek naar gedichten over alle dorpen, gehuchten en steden op de grens tussen West-, Oost-, en Zeeuws –Vlaanderen. Voorwaar geen simpele klus. Via taal en poëzie stapt de lezer doorheen Het Verdronken Land van Saeftinghe tot Het Zwin. De selectie gedichten die Bert Bevers maakte, geeft uiting aan alle verbindingen die voor Nederland en Vlaanderen van waarde zijn.

In hotel De Dikke van Dale

Een avond buiten Amsterdam. Onder het raam
van mijn hotel zie ik drie jonge obers roken.

De kok – veel buik, veel kuif – heeft tongen zitten troosten
en staat hardop van beter werk te dromen. Vraag

je hem naar Sluis, dan klinkt het nors: ”Een heel kort woord,
drie letters.” Ook de obers willen hier ooit weg.

Ik hoor hoe Zeeland zucht: bewoners, kom terug.
maar zelfs de zee nam hier de vlucht. – Wat blijft: het boek

waaraan Van Dale in het stadshart heeft gezwoegd
en dan nog nooit een dichter heeft bedroefd.

Ik denk van alles, ik weet niets. Straks pakt de kok
zijn fiets en drinkt hij zielsgelukkig met zijn lief.

Iets later nemen vijf obers de weg naar huis.
Vijf obers nemen vijf wegen naar vijf huizen

en steeds staat in elk huis een prachtbed opgesteld
dat groot, heel groot is en tien sterrenstelsels telt.


© Menno Wigman



De 50 pennenridders in “Overburen” zorgen voor een mooie caleidoscoop aan talenten en invalshoeken. Wielerfanaat Bert Bevers krijgt, naast Menno Wigman, in zijn poëziepeloton het gezelschap van: Jozef De Paepe, Marieke van Leeuwen, Lucrèce l’Ecluse, Erna Coolsen, Daniel Billiet, Roger Saelaert, Rico Van De Janckenberg, Albert Hagenaars, Christina Guirlande, Michel Huisman, Jacques Hamelink, Hendrik Carette, André van der Veeke, Patrick Cornillie, Piet Brak, Emma Crebolder, Judith De Wolf, Patrick Rottier, Anne Dellart, Jozef Everaard, Jan J.B. Kuipers, Bas van Ouderkerken, Will van Broekhoven, Willem Persoon, Frank Pollet, Stefaan Van Bossele, Anton Van Wilderode, Fa Claes, André Moortgat, Frederick Lucien De Laere, Jacques Hamerlinck, Daan Noppe, Riec Kolman, Peter Theunynck, Patricia Lasoen, Jan Bosman, Alphons Wehrens, Liliane Bruylants, Omer Gielliet, Frans Buyle, Jos Daelman, Ries de Vuyst, Martin Carrette, Laurine Vandepitte, Maurits Mok, Frank De Vos, Marie – Cécile Moerdijk en Maria Vandemelanen.


Overburen, samenstelling Bert Bevers, Drukkerij Bareman Terneuzen, TekstBeeldGroep, 2017.

De bloemlezing telt 80 bladzijden en is mede tot stand gekomen dankzij de samenwerking met de Heemkundige Vereniging Terneuzen.


© Frank Decerf


zondag 13 mei 2018

Vergeefs, maar opgemerkt – Frans Deschoemaeker

1.

Elke bijeenkomst van ons leesgenootschap begint met de bespreking van een gedicht, dat bij toerbeurt door de leden gekozen wordt. Volgende keer ben ik aan de beurt. Niet iets om van wakker te liggen. Uit de gedichtendatabank in mijn hoofd weet ik ogenblikkelijk een gedicht op te diepen dat het genootschap een kwartier lang vermag te animeren. Nieuwjaarsbrief van Leonard Nolens bijvoorbeeld, het is tenslotte de eerste bijeenkomst van het jaar, of het kwinkelerende Lilalente van Ilja Leonard Pfeijffer, daarmee jaag ik gegarandeerd enkele genoten op de kast, of Torso van Joseph Brodsky, of Onder nul van Tomas Tranströmer, dat komt allemaal ogenblikkelijk in me op.
Maar het voorwendsel is te mooi om te laten liggen: wil ik mij gewetensvol van mijn opdracht kwijten, dan moet ik toch minstens weer eens een hele (regenachtige) namiddag lang door mijn poëziebibliotheek ploegen, op zoek naar dat ene, voor het leesgenootschap onvervangbare en noodzakelijke gedicht. Ja, toch?
Naderhand blijkt dat evenwel geen goed idee. De oeverloosheid van een ruim gesorteerde poëziebibliotheek werkt verlammend. Honderden noodzakelijke en onvervangbare gedichten betwisten elkaar hun onvervangbaarheid en noodzakelijkheid. Het schiet bovendien niet op, je blijft overal vasthaken, bijvoorbeeld nu weer aan dit :

2.

Levenseinde van een spin

net voor het doodgaan
ging hij verzitten, zette zich schrap
om zo waardig te sterven
in een houding van
dreigende waakzaamheid

het heeft nu
een dag geregend en er is
niets over van al
die waardigheid

lijf gekanteld, poten
slordig gespreid, een poot
zelfs al los verderop
gespoeld

hoe vergeefs ook de houding
het is niet onopgemerkt gebleven


Leo van der Zalm


3.

Ik weet niet eens of ik dit zo’n goed gedicht vind. Het heeft een hoog haiku-gehalte. Het lijkt in één lange haal van de pen geschreven te zijn. Het wekt de indruk dat er nog heel even verder moet worden aan gesleuteld. Moest dat slotakkoord, bijvoorbeeld, nu zo nadrukkelijk Reviaans?

Toch is dit een intrigerend gedicht. Dat de dichter oog heeft voor het kleine, het onaanzienlijke, het triviale, het nietige, dat waar iedereen overheen kijkt, wordt zelden zo pregnant als hier tot uitdrukking gebracht. Wie zag ooit een spin sterven? Behalve onder een samengevouwen krant of een schoenzool, maar daar gaat het nu even niet om. Een oude spin, die er de brui aan geeft, een jonge spin die in een territoriumschermutseling dodelijk gewond raakte en zich opmaakt om de laatste adem uit te blazen? Niemand, ook Leo van der Zalm niet, daar verwed ik mijn hoed om.

Maar Leo van der Zalm kan een erbarmelijk hoopje spin gezien hebben, dat al een dagje dood was, op de rand van ontbinding en verstrooiing, na de regenbui (zelfs om dàt te zien moet je al goed kijken), en omdat hij zich met die deerniswekkende aanblik niet kon verzoenen, laat hij in zijn gedicht die spin alsnog, met terugwerkende kracht, weerbaar, en dus waardig, sterven. En nog staat er niet wat er staat.


4.

Leo van der Zalm. Wie? Leo van der Zalm (1942-2002) was een schilderachtig figuur uit de Amsterdamse bohème. Zijn woonboot, die afgemeerd lag aan de Oudeschans, was een opvangcentrum voor daklozen, zwervers, hippies. De kleurrijke (en groezelige) troep vormde geruime tijd een attractie voor de rondvaartbootjes. Leo organiseerde happenings en vrije podia en dichtte in de marge. Diep in het ruim van zijn boot had hij een negentiende-eeuwse degelpers waarop hij zijn gedichten zette. Het was zaak korte gedichten te schrijven, want het bakje met loden letters raakte altijd snel leeg.

In die gedichten: veel aandacht voor het kleine, het onzichtbare, het geleedpotige, het wriemelende.

Leo van der Zalm publiceerde twee dichtbundels bij een reguliere uitgever. Hij haalde de grote bloemlezingen niet. Wel een kleintje: Gedichten 1992, een keuze uit de tijdschriften (Davidsfonds, Leuven). Daarin ontrukten de samenstellers Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen het Levenseinde van een spin, aangetroffen in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde, aan de vergetelheid. Meteen ook het kanaal waarlangs ik dat gedicht vijfentwintig jaar later, op een regenachtige namiddag in januari, onder ogen kreeg.

5.

Chanson de geste. Staande sterven. Sterven in het harnas. Ik herinner mij stuk voor stuk de plaatjes van de historische reeks ‘s Lands Glorie, die ik als kind verzamelde, en die de iconen waren van de geschiedenislessen van mijn generatie. Op die plaatjes werd vaak in het harnas gestorven. Ik herinner mij het plaatje dat de dood van Roeland voorstelt. De zwaargewonde Roeland die rugdekking zoekt tegen een Pyreneeënrots, bloed spuwt, een laatste vijand velt, de Olifant aan de korstige lippen zet om het vierde noodsignaal te trompen over de pas van Roncevaux, en in die houding verstart, zijn houding in overeenstemming brengt met het historisch moment. Voor de ooggetuigen, de chroniqueurs, de illuminatoren, de mythomanen, de dichters. Voor de terugwerkende kracht.

Ga niet gedwee die verlokkelijke nacht in. Weer je. En dat het zo geboekstaafd zij.

Vergeefs, maar opgemerkt. In het grote, vergeefse, heroïsche verhaal van het verzet tegen de dood schreef Leo van der Zalm een klein vignet.


6.

Het werd uiteindelijk Nolens niet. Het werd de kwinkelerende Pfeijffer niet. Het werd Tranströmer niet, noch Brodsky. Het werd ook Leo van der Zalm niet, maar Rutger Kopland, met Beekdal, een gedicht zo mogelijk nog minimalistischer dan Het levenseinde van een spin. Maar ook dat is de reden niet.




© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


vrijdag 11 mei 2018

Het patroon van een bruidskleed - Wim Vandeleene

je kiest de zijde om het offer van de rupsen,
de pop die ze spinnen is een kiem van vleugels.
zo wil jij ook groeien. eerst naar binnen plooien,

dan de vleugels oppompen, met schrikkleuren
de lucht opeisen, tot pleinvrees je weer binnen haalt
en knus krap wordt. het kleed knip je uit papier,
het patroon houdt je binnen de lijnen.

de benen van de schaar kruisen elkaar zo scherp
zoals onze paden toen we elkaar troffen,
meteen op maat, sleutel op de deur.


© Wim Vandeleene


donderdag 10 mei 2018

Fontanel - Wim Vandeleene

het water breekt. de vrucht is rijp.
doof voor haar wee zink je traag, een lichte steen,
door de trechter van het bekken.
de schedel is nog open.

god liet wat marge. dat maakt je kneedbaar.
ze perst je door de hals, je ontwent al half aan haar,
ontsnapt met een weke plek, een open dak,
waaronder de grijze spons, nog in de knop.

je kan er de hartslag meten
als je er zacht een hand op legt.
na een jaar groeit de schedel weer dicht.
vanaf dan zit de geest in de cel.


© Wim Vandeleene


woensdag 9 mei 2018

Massa - Wim Vandeleene

massa is de trage slaaf van de kracht.
de vloed krijgt geen vat op de gestrande potvis.
een vrachtwagen zonder motor is een anker op de weg.

de grotere massa zuigt aan de kleinere.
ik mag niet zeggen dat jij de grotere massa bent
maar het verklaart mijn baan om je. soms ver, soms nabij.
de ellips die ik volg is de vorm van mijn twijfel.

er schuilt veel energie in de massa
alsof alle dingen ontploffen kunnen.
dat wordt merkbaar als je de kern splitst.
dan ontdek je hoe simpel die wet is.

hoe je een stad in een wolk laat opgaan
hoe een oorlog eindigt met een paddenstoel
waarin meer massa verdwijnt dan de rouw aan kan.


© Wim Vandeleene


dinsdag 8 mei 2018

Raakpunt - Wim Vandeleene

aan de muur het slavenschip van Turner,
een rode storm die alleen bedaart als ik wegkijk
en de drenkeling in me voor erger behoed.
we tasten naar wat ogen lusten.

maar in het museum geldt een aanraakverbod.
afstand bewaren is wat de rechter doet met een wet,
god met een wegwuifgebaar in de ether,
een maagd met mijnen om haar bed.

zoals een aar het licht raakt net voor de oogst.
zo raak ik even je hand als we om ons heen grijpen,
in een duel, een dans, het ritueel voor de kroost.
alleen in die storm zijn we voorlopig verbonden.


© Wim Vandeleene